Conclusie
Wisdom/Riad(16/04439), waarin heden eveneens conclusie wordt genomen.
1.Feiten en procesverloop
Sichem Anneen het binnenvaartcontainerschip
Margretavan [verweerster 1], dat komende vanonder de Moerdijkbruggen richting het Volkerak voer. De bulbsteven van het lege, in ballast varende motorschip
Sichem Anneboorde zich daarbij onder een tamelijk rechte hoek dwars door de bakboord scheepshuid en het ruimlangsschot van de met containers beladen
Margreta. Daarop heeft de
Margretaveel water gemaakt. Om een algeheel zinken te voorkomen is de
Margretanaar de zuidoever van het Hollandsch Diep gevaren en daar, met hulp van de sleepboot
En Avant, tussen de kribben aan de grond gezet, waarna er met inzet van materieel van verscheidene schepen op het volgelopen ruim is gepompt. Het gat van ongeveer 3 bij 4 meter bleek echter te groot om al het instromende water buitenboord te werken, waarop besloten is om de
Margretate lossen. Dit is gebeurd met behulp van kraanpontons, duwboten, pontons en duwbakken. De
Margretakwam daardoor in de avond van 12 januari 2009 weer vlot. Na een noodreparatie is zij zelfstandig naar Dordrecht gevaren en later naar een werf in Hemiksem, waar de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Ook aan de
Sichem Anneis schade ontstaan.
Sichem Anne) en [verweerder] c.s. (
Margreta) houden elkaar over en weer aansprakelijk voor de aanvaring en de daardoor ontstane schade. Op de voet van art. 642a e.v. Rv hebben zowel Eitzen als [verweerder] c.s. hun aansprakelijkheid beperkt door het stellen van een zogeheten zakenfonds. [verweerder] c.s. heeft in verband met de kosten die zij heeft voldaan aan derden voor het bergen van de lading en het vlotbrengen van de
Margretaeen (regres)vordering ingediend in het zakenfonds van Eitzen.
Margretaals die van de
Sichem Anne, dat de
Sichem Anneschuld heeft aan de aanvaring, zodat Eitzen voor de gevolgen daarvan aansprakelijk is, althans dat een schuldverhouding zal worden vastgesteld; en
Sichem Anne, dat de regresvorderingen van [verweerder] c.s. ter zake van de kosten die zij heeft gemaakt om de
Margretana de aanvaring weer vlot te brengen en haar lading te bergen, dienen te worden aangemerkt als vorderingen zoals bedoeld in art. 8:752 lid Pro 1, aanhef en onder d en/of e BW, waarvoor Eitzen haar aansprakelijkheid slechts zou kunnen beperken door een wrakkenfonds te stellen als bedoeld in art. 8:755 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW.
Sichem Anneals die van de
Margreta, dat de
Sichem Anneen de
Margretabeide voor de helft schuld hebben aan de aanvaring, zodat Eitzen respectievelijk [verweerder] c.s. voor de helft jegens de wederpartij voor de gevolgen daarvan aansprakelijk is;
Sichem Anne, dat de vorderingen van [verweerder] c.s. terzake van de kosten die zij heeft gemaakt om de
Margretana de aanvaring weer vlot te brengen en haar lading te bergen, moeten worden aangemerkt als vorderingen zoals bedoeld in art. 8:752 lid Pro 1, aanhef en onder d en/of e, BW, waarvoor Eitzen haar aansprakelijkheid slechts kan beperken door een wrakkenfonds te stellen als bedoeld in art. 8:755 lid Pro 1, aanhef en onder b, [3] BW.
Margretamedeschuld heeft aan de aanvaring. Verder betoogde [verweerder] c.s. dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het schuldaandeel van de
Sichem Annegroter is dan dat van de
Margreta.
2.Inleiding
- limitatiefondsen (2.14-2.15);
- vorderingen uit hulpverlening en avarij-grosse zijn uitgezonderd van beperking (2.16- 2.22);
- voorbehoud van art. 18 LLMC Pro, kosten van wrak- en ladingsopruiming en wrakkenfonds (2.24-2.32);
- regresvorderingen niet uitgezonderd van beperking (2.33);
- verloop van de beperkingsprocedure (2.44).
Tavole Amalfitane. [5] Van daaruit heeft het recht zijn weg gevonden naar andere landen. Aan het einde van de Middeleeuwen bestond het recht in alle Europese, zeevarende landen, met uitzondering van Engeland. [6] Daar werd het pas later, in de loop van de 18e eeuw, aanvaard. [7] In de 19e eeuw is het recht op beperking van aansprakelijkheid van de scheepseigenaar ook in de Verenigde Staten erkend. [8]
De reder mag aan de zee niet meer verliezen dan dat hij eraan heeft toevertrouwd, luidde het adagium.
de facto altijd beperking van aansprakelijkheid zal bestaan’. [17] Net als anderen beschouwt hij het stelsel kennelijk als een gegeven en wordt aanvaard dat dit soms tot onbillijke uitkomsten kan leiden. [18]
Convention on Limitation of Liability for Maritime Claims) en in nationale literatuur ook wel als het Londens Beperkingsverdrag van 1976 of het Verdrag van Londen. De LLMC, dat het vroegere Verdrag van Brussel van 1957 inzake de beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van zeeschepen verving, voorziet in de mogelijkheid voor onder meer scheepseigenaren om hun aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen te beperken. De LLMC is voorbereid door het Comité Maritime International (CMI) en is tot stand gekomen bij de International Maritime Organization. De voorbereidende werkzaamheden (
Travaux Préparatoires) zijn te raadplegen via de website van de CMI. [20]
Travaux Préparatoires) en de beschikbare literatuur. [31]
doorwerkzaamheden ter hulpverlening. [49] Het gaat dus niet om (van beperking uitgesloten) vorderingen
uithulpverlening. Dat de hulpverlener zich in het kader van zijn hulpverleningswerkzaamheden op beperking van aansprakelijkheid kan beroepen, blijkt ook uit art. 1, lid 1 LLMC (art. 8:750 lid 1 BW Pro). In art. 1, lid 3 LLMC (art. 8:750 lid 3 BW Pro) is bepaald dat onder ‘hulpverlening’ ook wordt verstaan de in art. 2, onder d, e en f LLMC (art. 8:752, lid 1, onder d, e en f BW) genoemde werkzaamheden of maatregelen, dus het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, het verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van het schip, en het nemen van maatregelen ter voorkoming of vermindering van schade als bedoeld in onderdeel f. Dat betekent dat het hier bedoelde begrip ruimer is dan het begrip hulpverlening van art. 3, aanhef en onder a, LLMC (ar. 8:651 lid 1 BW), in zoverre dat niet vereist is dat het schip in
gevaarverkeert. [50]
rechtstreeksevordering van de hulpverlenende partij op de betrokken scheepseigenaar dan wel op de rechtstreekse vordering tot betaling van een bijdrage in avarij-grosse. [53] De verhaals- of regresvordering, mits deze onder het bereik valt van een van de vorderingen genoemd in art. 2 LLMC Pro, is wél onderhevig aan beperking. [54] Uit de uitspraak van de Engelse Admiralty Court inzake
The Breydon Merchant, waarin geoordeeld werd dat een regresvordering op de scheepseigenaar in verband met de betaling van bluskosten aan derden niet was uitgesloten van beperking, wordt afgeleid dat het niet de aard van de oorspronkelijke vordering uit hulpverlening, maar
de aard van de regresvorderingis die bepaalt hoe de vordering moet worden geclassificeerd en daarmee of deze vatbaar is voor beperking. In
The Breydon Merchantbetekende dit dat de ingestelde vordering tot verhaal van kosten uit hulpverlening niet werd aangemerkt als een (niet te beperken) vordering uit hulpverlening, maar als een (wel te beperken) vordering uit
breach of contract. [55]
kosten van wrak- en ladingsopruiming, zoals de vorderingen in onderdeel d en e kortheidshalve plegen te worden aangeduid, niet onder de werking van de LLMC vallen en derhalve niet beperkt kunnen worden volgens de daarin gegevens regels. Anders dan de voorganger van de LLMC, het Verdrag van Brussel van 1957, vallen onder ‘kosten van wrakopruiming’ niet alleen de uit
wettelijke bepalingenvoortvloeiende verplichting tot wrakopruiming of aansprakelijkheid voor kosten van wrakopruiming begrepen (zie art. 1, lid 1 sub c Verdrag 1957), [59] maar
allevorderingen in verband met wrakopruiming. [60] Daarmee kan ook een regresvordering in verband met kosten van wrakopruiming onder onderdeel d van art. 2 lid 1 LLMC Pro vallen. [61] Dat voor kosten van wrak- en ladingsopruiming op grond van art. 18 LLMC Pro een voorbehoud is gemaakt, betekent echter niet dat voor dergelijke kosten onbeperkte aansprakelijkheid bestaat. Nederland heeft voor deze kosten voorzien in een eigen beperkingsregeling in art. 8:755 lid Pro 1, aanhef en onder b BW, namelijk het wrakkenfonds. Hierin is bepaald dat voor vorderingen als bedoeld in art. 8:752, lid 1, aanhef en onder d of e, BW beperking kan plaatsvinden door het stellen van een wrakkenfonds. De uitleg van de genoemde onderdelen d en e dient de uitleg van de onderdelen d en e van art. lid 1 LLMC te volgen, omdat het gemaakte voorbehoud niet mag ‘uitstulpen’ buiten de door het verdrag getrokken grenzen. [62]
Travaux Préparatoires. [67] Er blijkt juist een bewuste keuze te zijn gemaakt om in de LLMC géén speciale regeling voor vorderingen van overheidslichamen op te nemen. Zo is een Canadees voorstel om in onderdeel d een uitzondering te maken voor kostenverhaal door verdragsstaten, niet overgenomen. [68] Ook een voorstel van de Verenigde Staten om kostenverhaal door ‘public authorities’ in zijn algemeenheid uit te sluiten van beperking door opneming van die vorderingen in art. 3 LLMC Pro, is niet gevolgd. [69] Het gevonden compromis is (slechts) dat verdragsstaten door het maken van het voorbehoud van art. 18 lid 1 LLMC Pro de mogelijkheid wordt geboden om in deze kwestie eigen keuzes te maken. Daarmee is doorslaggevend wat de nationale regeling bepaalt.
met betrekking tothet vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord
bevindt of heeft bevonden. Onderdeel e ziet op alle vorderingen met betrekking tot het verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van de lading van het schip, hetgeen eveneens een ruime omschrijving is. In de
Travaux Préparatoireszijn geen aanwijzingen te vinden dat de omschreven vorderingen op enige wijze beperkt moeten worden opgevat of uitgelegd. De ruime reikwijdte van de handelingen bedoeld in de onderdelen d en e komt ook naar voren in een uitspraak van de Engelse rechter in de zaak
The Aegean Sea, waarin maatregelen tot opruiming van olieverontreiniging alsmede maatregelen ter voorkoming van schade door olieverontreiniging geacht werden te vallen onder art. 2 lid Pro 1, onderdeel d LLMC. [70]
wettelijke bepalingenvoortvloeiende aansprakelijkheid voor wrakopruiming (zie onder 2.24). Tegen die achtergrond is niet geheel duidelijk of met “alle vorderingen terzake van wrakopruiming” inderdaad bedoeld is “ongeacht wie dergelijke vorderingen instelt”, dan wel: “ook als de vordering van een vaarwegbeheerder niet op grond van art. 10 Wrakkenwet Pro plaatsvindt”. Wat hier ook van zij, doorslaggevend zal moeten zijn dat de tekst van de wet de door middel van het stellen van een wrakkenfonds te beperken vordering niet beperkt tot vorderingen van een vaarwegbeheerder.
Als gevolg van het voorbehoud ten aanzien van vorderingenin verband metinterventie, vlottrekken en wrakopruiming blijft de limitering van deze vorderingen beheerst door nationaal recht in plaats van door het Protocol van 1996. (…) Om de situatie ten aanzien van het wrakkenfonds te verhelderen, wordt in artikel 8:755, eerste lid, BW – net als in het huidige artikel 8:755 BW Pro – uitdrukkelijk verwezen naar het wrakkenfonds. (…)Door de voorgestelde wijziging is duidelijk dat naar Nederlands recht voor vorderingen als genoemd in artikel 2, eerste lid, onder d en e (vorderingen uit het lokaliseren, markeren of opruimen van een wrak, bunkerolie of lading) ook na de inwerkingtreding van het Protocol van 1996 blijft gelden dat een afzonderlijk wrakkenfonds moet worden ingesteld ingeval de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid wil beperken.”
van overhedenonbeperkte aansprakelijkheid bestaat. [75] Ook het Verenigd Koninkrijk heeft in zijn nationale regeling bepaald dat het voorbehoud slechts geldt ten behoeve van ‘
harbour or conservancy authorities’; voor vorderingen van deze autoriteiten bestaat onbeperkte aansprakelijkheid. [76] Duitsland heeft een nationale regeling die lijkt op de Nederlandse regeling. [77] Het verschil in nationale regelingen moet voor ogen worden gehouden bij raadpleging van buitenlandse literatuur over art. 18 LLMC Pro.
het onderwerpvan de onderliggende vordering. [78] Dat onderwerp is bepalend voor de vraag of de vordering is onder te brengen onder een van de categorieën a tot en met f van art. 2 LLMC Pro. In feite is de bepaling overbodig, zo merkt Cleton op, omdat deze regel ook al volgt uit de aanhef van lid 1 van art. 2 LLMC Pro (
‘(…) ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid (…)’). [79]
‘(…) alsmede daaruit voortvloeiende schade’) kan een dergelijke vordering worden ondergebracht bij onderdeel a. De vordering zou echter ook bij onderdeel d of e kunnen worden ondergebracht, namelijk volgens de hiervoor beschreven hoofdregel, dat niet bepalend is de rechtsgrond waarop de vordering is ingesteld, maar de aard van het onderwerp waarop de vordering ziet (namelijk: kosten van wrakopruiming). Dit kan problemen oproepen wanneer een verdragsstaat gebruik heeft gemaakt van het voorbehoud van art. 18 LLMC Pro, zoals Nederland heeft gedaan, en voor de vorderingen bedoeld onder d en e een apart regime geldt. Als de vordering valt onder onderdeel a is immers het gevolg dat aansprakelijkheid beperkt kan worden door het stellen van een zakenfonds. Als de vordering daarentegen onder onderdeel d of e wordt ingedeeld, loopt zij mee met het toepasselijke bijzondere regime. Dat laatste betekent in Nederland dat beperking slechts kan plaatsvinden door het stellen van een wrakkenfonds. Daarmee rijst de vraag hoe een dergelijke regresvordering moet worden gekwalificeerd.
lex specialisworden gezien, waaraan voorrang dient te worden gegeven. In de tweede plaats wijzen Griggs e.a. op het uitgangspunt dat niet de rechtsgrond, maar het onderwerp van de vordering bepalend is voor de vraag of aansprakelijkheid beperkt kan worden. Het derde argument, dat hierbij aansluit, houdt in dat in de eerste volzin van art. 2, lid 2 LLMC expliciet is neergelegd dat ook als een vordering bij wijze van verhaal wordt ingesteld, de in het eerste lid genoemde vorderingen vatbaar zijn voor beperking.
The Breydon Merchantwerd aangenomen dat een vordering tot verhaal van kosten uit hulpverlening niet van beperking is uitgesloten en op zijn eigen merites moet worden beoordeeld (zie onder 2.22), ook voor een vordering tot verhaal van kosten van wrakopruiming geldt dat deze geclassificeerd dient te worden naar zijn eigen aard, los van de oorspronkelijke vordering:
'recourse or indemnity claims in relation to paragraphs (a) and (b) above'(waarbij (a) verwijst naar de toepassing van de onderdelen d en e). [86]
The Breydon Merchantvoor regresvorderingen ten aanzien van kosten van hulpverlening, gaat naar mijn mening mank. In de eerste plaats omdat voor
hulpverleningeen specifieke bepaling is opgenomen in art. 3, aanhef en onder a, LLMC, waarvan de ratio is te voorkomen dat een belemmering zou ontstaan voor het verlenen van hulp aan een in gevaar verkerend schip; díe ratio bestaat niet voor de regresvordering terzake van hulpverlening (de hulp is dan immers reeds verleend). Tegen die achtergrond is dan begrijpelijk dat geoordeeld wordt dat de regresvordering autonoom moet worden beoordeeld. Een dergelijke specifieke ratio geldt niet voor een vordering van kosten uit wrakopruiming, waarmee het uitgangspunt reeds onvergelijkbaar is. In de tweede plaats wordt eraan voorbijgegaan dat art. 2, zowel in de aanhef van lid 1 als in de eerste volzin van lid 2, expliciet bepaalt dat de in lid 1 genoemde vorderingen vatbaar zijn voor beperking, ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid en al dan niet bij wijze van verhaal. Dit staat niet in art. 3 LLMC Pro.
Travaux Préparatoires. Ik zie dan ook geen aanknopingspunten om zijn standpunt te volgen.
voorproceduretot vaststelling van het bedrag of de bedragen van de beperkte aansprakelijkheid en de wijze van fondsstelling (art. 642a-642f Rv). Vervolgens vindt de
verificatieprocedureplaats (art. 642g-642u). Indien de rechter-commissaris in geval van betwisting van een vordering of van een beroep op beperking van aansprakelijkheid er niet in slaagt partijen en de schuldenaar ter zitting te verenigen, verwijst hij hen naar een zitting van de rechtbank ter beslissing van het punt van geschil, de renvooiprocedure (art. 642q en 642r Rv). Ten slotte vindt op basis van een staat van verdeling aan de geverifieerde schuldeisers
uitbetalingplaats van het hun toekomende bedrag (art. 642v en 642w Rv). Art. 642y Rv bepaalt tegen welke beslissingen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Art. 642z Rv houdt in dat de kosten van de beperkingsprocedure ten laste van de schuldenaar komen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste argumenthoudt in dat de regresvordering ter zake van hulpverlening moet worden gerekend tot de vorderingen bedoeld in lid 1, onderdeel a, van art. 2 LLMC Pro en derhalve kan worden beperkt door het stellen van een zakenfonds. Het hof gaat er dan ook ten onrechte vanuit dat een dergelijke vordering valt onder art. 2 lid Pro 1, onderdeel d en e LLMC, waarvoor het voorbehoud van art. 18 LLMC Pro geldt.
22). Dat betekent dat niet in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat een dergelijke regresvordering onder art. 2 lid Pro 1, onderdeel a valt. Nu het in de onderhavige zaak gaat om een regresvordering terzake van het vlotbrengen van de
Margretaen het bergen van haar lading, diende het hof derhalve te onderzoeken onder welk onderdeel van art. 2 lid 1 LLMC Pro een vordering in verband met dergelijke kosten valt.
onderdeel 1.1, dat het hof heeft miskend dat art. 3 lid Pro 1, onder a, LLMC uitsluitend betrekking heeft op de vordering van de hulpverlener voor kosten wegens door hem zelf verleende hulp, gaat niet op. Het hof heeft dit niet miskend. In het onderhavige geval gaat het echter niet om een vordering uit hulpverlening, maar om de
verhaalsvordering van kosten van hulpverlening. Dergelijke vorderingen vallen in ieder geval niet onder art. 3 sub a LLMC Pro (zie onder 2.22). Ook heeft het hof niet miskend dat art. 1 lid 3 LLMC Pro, ook voor wat betreft de tweede volzin daarvan, alleen betrekking heeft op de bevoegdheid van de hulpverlener die zelf schade heeft veroorzaakt, om zijn eigen aansprakelijkheid te beperken (zie onder 2.20). De verwijzing van het hof naar die bepaling in rov. 18 begrijp ik als een nadere motivering van zijn oordeel dat aan het begrip ‘hulpverleningswerkzaamheden’ (waarvan volgens Eitzen sprake is) een ruime uitleg moet worden gegeven en dat dergelijke werkzaamheden ook bergingswerkzaamheden, zoals in het onderhavige geval aan de orde zijn, omvatten. Hierbij is overigens op te merken dat het hof niet heeft beoordeeld of sprake is van hulpverlening in de zin van art. 3 lid Pro 1, onder a, LLMC, omdat dit niet van belang is voor de te beantwoorden vraag of de regresvordering van [verweerder] c.s. een vordering is als bedoeld in art. 2 lid Pro 1, onderdeel d of e LLMC.
onderdeel 1.2, dat een scherp onderscheid moet wordt gemaakt tussen enerzijds wrakopruiming (art. 2 lid 1 onderdeel Pro d) en anderzijds hulpverlening (art. 3 sub Pro a), gaat daarmee niet op. Op zichzelf is het juist dat dit onderscheid gemaakt moet worden. Beslissend voor het onderscheid zal met name zijn of sprake is van ‘gevaar’, dat immers een essentieel vereiste is voor hulpverlening (zie onder 2.19). Maar bij de onderhavige kwestie gaat het niet om het onderscheid tussen wrakopruiming en hulpverlening. De vordering in kwestie is immers niet een vordering uit hulpverlening (als bedoeld in art. 3 sub a LLMC Pro), maar een
regresvorderinginzake kosten van (volgens Eitzen) hulpverleningswerkzaamheden. Zoals besproken is, dient een dergelijke regresvordering niet te worden aangemerkt als een vordering uit hulpverlening, maar moet op grond van de aard van de regresvordering worden beoordeeld of deze voor beperking in aanmerking komt.
tweede argumentkomt erop neer dat het door Nederland uit hoofde van art. 18 LLMC Pro gemaakte voorbehoud alleen ziet op regresvorderingen van vaarwegbeheerders. Ter toelichting stelt
onderdeel 1.3dat het LLMC uitgaat van de beperkbaarheid van vorderingen die zien op wrakopruimingskosten en dat de uitzondering van art. 18 LLMC Pro slechts is bedoeld ter bescherming van de belangen van overheden en andere beheerders van nautische infrastructuur. Wanneer dergelijke kosten tussen scheepseigenaren onderling worden gevorderd, dient volgens het onderdeel het uitgangspunt van het verdrag onverkort te gelden. [90]
Travaux Préparatoiresdat beoogd is dat het voorbehoud alleen op dergelijke vorderingen ziet. Ook voor de Nederlandse invulling van het voorbehoud, neergelegd in art. 8:755 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW geldt dat daaruit niet blijkt dat het voorbehoud uitsluitend betrekking heeft op vorderingen van vaarwegbeheerders. Dit kan ook niet uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid. Nu ook de onderdelen d en e van art. 8:752 lid 1 BW Pro, waarnaar art. 8:755 lid 1 onder Pro b verwijst, niet inhouden dat het bij de daar bedoelde vorderingen uitsluitend gaat om vorderingen van vaarwegbeheerders of andere publieke lichamen, volgt ook daaruit dat het gemaakte voorbehoud betrekking heeft op alle vorderingen in verband met werkzaamheden als omschreven in die onderdelen, ongeacht door wie de vordering is ingesteld. Dit laatste is overeenkomstig de uitleg die moet worden gegeven aan het in dezen leidende art. 2 lid Pro 1, onderdelen d en e LLMC.
overheden(waarvoor in sommige verdragsstaten onbeperkte aansprakelijkheid bestaat), maakt het voorgaande niet anders (zie onder 2.32). [91]
Margreta, met daarin een groot gat van circa 3 bij 4 meter, zich in een deels gezonken en gestrande positie bevond;
Margretamet haar lading containers bij gebreke aan maatregelen een gevaar zou gaan opleveren voor de scheepvaart ter plaatse of voor zaken als bruggen en havens dan wel voor het milieu, waardoor de overheid zich genoopt zou zien tot het (laten) uitvoeren van werkzaamheden om schip en lading te verwijderen.
onderdeel 2lees ik geen specifieke klacht tegen de hiervoor weergegeven redenering van het hof.
Margretaonder de Wrakkenwet zou hebben geplaatst als belanghebbenden bij dit schip geen actie hadden ondernomen, rechtens niet zonder meer meebrengt dat sprake is van wrakopruiming, en niet van hulploon of avarij-grosse.
Margretaonder de Wrakkenwet zou hebben geplaatst als belanghebbenden bij dit schip geen actie hadden ondernomen, is niet een omstandigheid die relevant is voor de beantwoording van de vraag hoe de vordering van [verweerder] c.s. moet worden gekwalificeerd. Beoordeeld moet immers worden wat de aard is van
het onderwerpvan de regresvordering (zie onder 2.22). Dat betekent dat element (iv) in de redenering van het hof niet dragend is voor zijn oordeel. Daarmee faalt het onderdeel.
Margretazich (i) in een deels gezonken en gestrande positie bevond en (ii) dat de werkzaamheden waarop de regresvordering betrekking heeft, ten doel hadden om het schip weer vlot te brengen en van haar strandingsplaats te verwijderen, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen Eitzen in hoger beroep heeft aangevoerd. Volgens het onderdeel heeft Eitzen in de geciteerde passages aan de orde gesteld dat de
Margretaslechts was
begonnente zinken, en dat de kapitein het schip (bewust) naar de oever heeft gevaren en daar tijdelijk vast heeft gezet om een noodreparatie te kunnen doen uitvoeren, welke reparatie snel met succes is uitgevoerd. Volgens het onderdeel heeft Eitzen ook gesteld dat daarom geen sprake was van een positie als bedoeld in het LLMC, zodat in het onderhavige geval geen sprake is van wrakopruiming maar van hulpverlening.
Margretazich in een deels gezonken en gestrande positie bevond, is geenszins onbegrijpelijk. Eitzen heeft immers erkend dat door de aanvaring in de
Margretaeen gat van ca 3 bij 4 meter was ontstaan, waardoor water het scheepsruim binnen stroomde en het schip begon te zinken. [92] Ook heeft Eitzen niet betwist dat de werkzaamheden waarop de vordering van [verweerder] c.s. betrekking had, zijn aan te merken zijn als het
vlotbrengenvan de
Margreta. Weliswaar heeft Eitzen in de in het onderdeel vermelde passages in de memorie van grieven naar voren gebracht dat het schip niet
geheel gezonkenwas en
geen wrakwas. [93] Voor toepassing van onderdeel d is echter niet vereist dat een schip geheel gezonken is en evenmin dat sprake is van een wrak (zie over de ruime uitleg van de onderdelen d en e onder 2.29 en 2.31). Hiermee faalt de motiveringsklacht.