Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 juni 2016
Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid,
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1in het principale appel komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat een verbod dat gedurende vijf jaren slechts de mogelijkheid biedt eens per kwartaal een verzoek aan de Omgevingsdienst te doen, te verstrekkend en niet proportioneel is.
Grief 2komt op tegen de afwijzing van de gevorderde lijfsdwangveroordeling.
Grief 3bevat een wijziging van eis die ertoe strekt dat aanvragen die het opgelegde maximum te boven gaan, buiten behandeling kunnen worden gelaten.
Grief Iin het incidentele appel richt zich tegen een onderdeel van de feitenweergave.
Grief IIkomt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het enige belang van [geïntimeerde] bij zijn verzoeken aan de Omgevingsdienst is, dat [geïntimeerde] zijn rechten wil uitoefenen en een nieuwsgierig mens is en dingen wil leren.
Grief IIIis gericht tegen het feit dat het hem opgelegde verbod hem beperkt tot twee contactmogelijkheden per maand, hetgeen te beperkt is om reële geschillen voor te leggen. Met
grief IVkomt [geïntimeerde] op tegen het feit dat de voorzieningenrechter hem heeft verboden als gemachtigde op te treden.
grief Iin het incidentele appel bestaat geen belang aangezien het hof hierboven de voor de beslissing relevante feiten heeft vastgesteld en het hof kennis heeft van zijn (volledige) arrest van 26 mei 2015 en kennis heeft genomen van het in paragraaf 12 van de memorie van antwoord opgenomen citaat.
Grief IIin het incidentele appel faalt daarom en het hof neemt met de voorzieningenrechter aan dat [geïntimeerde] geen rechtmatig belang heeft bij de vele door hem ingediende verzoeken.
Grief 1in het principale appel en de
grieven III en IVin het incidentele appel stuiten op het voorgaande af.
Grief 2in het principale appel slaagt in zoverre.
burgerlijkerechter geen grond voor buitenbehandelingstelling van brieven kan worden gevonden, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de Afdeling van oordeel was dat de burgerlijke rechter de mogelijkheid zou hebben om een dergelijke uitspraak te doen. Uit die uitspraak, en ook uit de uitspraken van de Afdeling van 17 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:396 en 397), is veeleer af te leiden dat de bestuursrechter dient te beoordelen of misbruik van recht wordt gemaakt. Het is ook de bestuursrechter die daaraan consequenties kan verbinden. Het feit dat dit noopt tot een toets van iedere aanvraag en ieder bezwaar of beroep brengt niet mee dat de burgerlijke rechter zonder wettelijke grondslag de Omgevingsdienst kan toestaan verzoeken buiten behandeling te laten.
Grief 3in het principale appel faalt daarom.
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat bij overtreding van de onder 5.1 en/of 5.2 van het bestreden vonnis opgenomen verboden, lijfsdwang kan worden toegepast voor de duur van steeds twee dagen voor elke keer dat het verbod wordt overtreden, met een maximum van in totaal dertig dagen;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Omgevingsdienst tot op heden begroot op € 718,- aan griffierecht, € 96,05 aan explootkosten en € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat over deze kosten wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vijftiende dag na de datum van dit arrest, te vermeerderen met de nakosten van ten bedrage van € 131,- zonder betekening en € 199,- ingeval van betekening;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af ;
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding aan de zijde van de Omgevingsdienst begroot op € 1.341,- aan salaris van de advocaat.