Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 mei 2016
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
De rechtspersoon
Familie verhouding
Vaststellingsovereenkomst
Dagvaarding in de bodemprocedure zijdens geïntimeerde van 19 augustus 2015
Rechtsvraag
Grieven
- appellante had in de betreffende onderhandelingen niet een bijzondere rol, behoudens de omstandigheid dat appellante de gerechtigde was tot het optierecht;
- mail van 24 december 2013 van [naam] . Er wordt door de heer [naam] het voorstel gedaan dat geïntimeerde 50% van de aandelen in appellante zou verkrijgen. Verder wordt in verband met de afwikkeling van de call-optie voorgesteld om het pand in appellante in te brengen. Dit betreffen geen handelingen die toe te rekenen zijn aan appellante of handelingen die een verplichting in het leven roepen van appellante jegens geïntimeerde;
- de mail van [de broer] aan zijn raadsman Meijer van 17 oktober 2013 bevat een reactie op het voorstel van [naam] . Er wordt gesproken over een erfrechtelijke verdeelsleutel en over een tegenbod van 2.5 miljoen;
- de mail van [de broer] aan geïntimeerde van 1 december 2013 is een weergave van welke onderhandelingstechniek er gevolgd moet worden en welke opties er bestaan. Er is geen relatie te leggen met appellante;
- uit de gang van zaken blijkt niet dat het de bedoeling was dat geïntimeerde een zelfstandige vordering op appellante zou krijgen, maar misschien een mede-aandeelhouderschap in appellante;
- als er al gesproken kan worden van een samen optrekken dan is dat tussen [de broer] en geïntimeerde geweest. Appellante als zelfstandig rechtssubject staat hier volledig buiten;
- het ligt op de weg van geïntimeerde om te voldoen aan haar stelplicht. De stelplicht waarom onder de gegeven omstandigheden appellante naast [de broer] hoofdelijk verbonden is ten aanzien van de door haar gepretendeerde vordering tot verdeling.
- het overwegende karakter van de vaststellingsovereenkomst is de afhandeling van de calloptie.
- het optierecht aan appellante betreffende de koop van de certificaten was destijds verleend in verband met de bedrijfsopvolging. Dit was een zakelijke verbintenis tussen de betrokken rechtspersonen.
- appellante wil heel geforceerd doen geloven dat er een te dezen relevant onderscheid bestaat tussen haar als zelfstandige entiteit in het rechtsverkeer enerzijds, en de heer [de broer] als rechtssubject anderzijds;
- de heer [de broer] is de enige bestuurder en de enige aandeelhouder van appellante;
- de oprichting van appellante hield verband met het verstrekken van het genoegzaam bekende optierecht;
- het voorgaande betekent dat er, anders dan appellante wil doen geloven, helemaal geen relevant onderscheid te maken valt tussen appellante en de heer [de broer] . Dat geldt in praktische zin, als enige aandeelhouder en enige bestuurder van appellante is de heer [de broer] het gezicht van appellante en heeft de heer [de broer] volledig in de hand of en hoe appellante aan het rechtsverkeer deelneemt, maar ook inhoudelijk. De heer [de broer] heeft via appellante verworven wat hij anders privé zou hebben verkregen;
- kortom het gaat erom dat geïntimeerde en de heer [de broer] uiteindelijk evenveel krijgen, ongeacht of dat krijgen in privé of via een andere entiteit plaatsvindt;
- bij die onderhandelingen bestond er een gemeenschappelijke tegenpartij, te weten mevr. [partner erflater] ;
- appellante had in de betreffende onderhandelingen niet een bijzondere rol, behoudens de omstandigheid dat appellante de gerechtigde tot het optierecht was, welk optierecht een onderdeel van het grote geheel van meningsverschillen en procedures betrof;
- gedurende het traject werd de mogelijkheid geïntroduceerd dat mevr. [partner erflater] deels niet in cash zou betalen maar door overdracht - kennelijk alweer om fiscale redenen – aan appellante zou plaatsvinden. Die mogelijkheid was niet bedoeld om geïntimeerde te benadelen. Het beschreven van gelijke delen bleef onaangetast;
- de heer [de broer] heeft zich jegens geïntimeerde bovendien nooit uitgelaten of gedragen en op een manier waaruit zou kunnen blijken dat in zijn beleving appellante een afzonderlijke positie innam;
- gezien het bovenstaande is het zo dat geïntimeerde niet alleen samen met de heer [de broer] optrok en gebruik maakte van één advocaat maar ook samen met appellante.