Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 januari 2016
de Gemeente Rotterdam,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“De afstand van het bebouwingsveld tot de zijgrens van het kavel bedraagt 2.5 meter. Twee woningen staan dus minimaal 5 meter uit elkaar. Dit geeft een gevoel van vrijheid en privacy, wat nog wordt versterkt doordat de bouwhoogte aan de zijranden van het bebouwingsveld maximaal 3 meter bedraagt. Deze regel voorkomt dat u tegen een relatief hoge zijgevel van een naastgelegen woning aankijkt.”
“(…) Na de plenaire sessie zijn mijn vriendin en ik met de dames [J] en [M] naar een muur gelopen waarop een kaart hing met de kavels. Ik heb toen de vraag gesteld of er al iets bekend was over de projectmatige kavels naast de kavels […] en […]. Er was nog niets bekend over de ontwikkeling. Ik weet wel wat voor type er konden komen, hoe ze dat noemden, maar hoe het precies er uit zou komen te zien was nog niet bekend. Ik heb toen de vraag gesteld: “het is toch niet zo dat daar op de oever een 9 m hoge muur komt?”. Het antwoord van mw. [M], bevestigd door mw. [J], was dat dit niet het geval zou zijn. De projectmatige kavels zouden minimaal moeten voldoen aan de regels die voor ons zouden gelden. Sterker nog, de projectmatige kavels zouden ook nog naar de welstandscommissie moeten. (…).”
“(…) Na d(e) plenaire sessie hebben mijn vriend en ik mw. [J] en mw. [M] aangesproken. We hebben toen heel specifiek de vraag gesteld of al bekend was wat er op de projectmatige kavels zou komen naast de kavels waar wij interesse in hadden. Het antwoord was dat dit nog niet bekend was. Volgens mij zei mw. [J] dat. Zij zei ook dat niet bekend was wanneer het bekend zou worden. Mijn vriend stelde toen nog als een soort grappige vraag dat het toch niet zo zou zijn dat er een 9 m hoge muur naast de kavel zou komen. Het antwoord was, ook met een lach, dat voor de projectmatige kavels minimaal dezelfde regels zouden gelden als voor de particuliere kavels. Sterker nog, de regels zouden nog strenger zijn want ze moesten ook nog aan de welstandstoets voldoen.”
“U vraagt mij naar de informatieavond in het najaar van 2005. (…) Ik kan me niet herinneren met de heer [B] of mevrouw [L] gesproken te hebben. (…) Ik kan me het gesprek met [B] niet herinneren. Het lijkt me echter niet logisch. Op dat moment was er weinig bekend over de ontwikkeling van de projectmatige kavels. Wat op dat moment wel al bekend was betrof één project dat was uitgewerkt. Die woningen stonden met hun volle gevels in het water. Er was over de kavel naast [B] nog weinig bekend. Wel was al aangegeven dat het daar om platformwoningen zou gaan. (…)”
“U vraagt mij naar de informatieavond in het najaar van 2005. (…). Deze specifieke avond staat niet heel helder op mijn netvlies. (…) Ik kan mij niet herinneren met de heer [B] en mevrouw [L] te hebben gesproken. (…) Ik kan mij voorstellen dat het gesprek heeft plaatsgevonden. (…) De precieze vraag en het door mij gegeven antwoord kan ik mij niet meer herinneren. Ik kan alleen maar een inschatting maken of het een voor de hand liggend antwoord zou zijn geweest. Als ik dat doe klopt het wel ongeveer. Er was nog niets bekend over de projectmatige bouw, anders dan dat er naast [B] platformwoningen zouden komen. Voor de bouw daarvan zouden nog regels opgesteld moeten worden, die waren er toen nog niet. Wel is het zo dat de projectmatige bouw, in tegenstelling tot de particuliere bouw, aan een welstandstoets zou zijn onderworpen. Op uw vraag of het zou kunnen dat ik gezegd heb dat voor de projectmatige bouw minimaal dezelfde bouweisen zouden gelden antwoord ik dat ik mij kan voorstellen dat hier wellicht een spraakverwarring is opgetreden. Er zouden immers vergelijkbare type bebouwingsregels worden opgesteld, dat wil zeggen bijvoorbeeld over bouwhoogte of over inhoud. Wat niet bedoeld is is dat de regels exact dezelfde inhoud zouden hebben.”
Grief I en IIrichten zich tegen de overweging van de rechtbank dat [B] ter onderbouwing van zijn vordering aanvoert dat de verwachting is gewekt dat de Gemeente de regels die golden voor de vrije kavels ook van toepassing zou verklaren op de kavels bestemd voor projectmatige bouw. De
grieven III en IVkomen op verschillende gronden op tegen het oordeel van de rechtbank dat het geleverde aan de koopovereenkomst beantwoordt. [B] voert, samengevat weergegeven, aan dat hij erop mocht vertrouwen dat voor het buurperceel “gelijkwaardige bouwregels, met hetzelfde doel (hinder voor de buurkavel voorkomen en het met het oog op de landschappelijke sfeer waarborgen van licht, lucht en ruimte)” (par. 37 memorie van grieven) zouden gelden. In
grief Vbetoogt [B] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Informatieboek Vrije Kavels en de Brochure Kaveltekeningen Vrije Kavels betrekking hebben op de vrije kavels. Met
grief VIricht [B] zich tegen de overweging van de rechtbank dat [B] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij op basis van de door de Gemeente verstrekte uitgaven mocht verwachten dat de daarin vermelde bouwregels ook van toepassing zouden worden verklaard op het buurperceel, terwijl
grief VIIaanvoert dat uit de verklaringen van [J] en [M] is af te leiden dat voor de projectmatige bebouwing “minimaal dezelfde bouwregels zouden gelden” als voor de vrije kavels. Met
grief VIIIkomt [B] op tegen de overweging van de rechtbank dat het op de weg van [B] had gelegen om de mededeling van [J] en [M] ter controle aan de Gemeente voor te leggen. De
grieven IX en Xzijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep op dwaling faalt. Met
grief XIkomt [B] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld.
Grief XIIis gericht tegen het oordeel dat de beslissing van de Raad van State formele rechtskracht heeft. De
grieven XIII en XIVhebben betrekking op de proceskostenveroordeling en de afwijzing van de vorderingen als zodanig. De grieven zullen gezamenlijk worden behandeld.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2014;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
- veroordeelt [B] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 704,- aan verschotten en € 3.576,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.