ECLI:NL:GHDHA:2016:2306
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bevestiging machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige ondanks bezwaar vader
De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die een machtiging tot gesloten jeugdhulp voor zijn minderjarige zoon heeft verleend. De vader, die geen gezag over de minderjarige heeft, verzet zich tegen de uithuisplaatsing en stelt dat hulpverlening ook in de thuissituatie mogelijk is. De gecertificeerde instelling en de moeder betwisten dit en wijzen op ernstige problemen bij de minderjarige, waaronder persoonlijkheidsproblematiek, seksueel grensoverschrijdend gedrag en fors schoolverzuim.
Het hof oordeelt dat de vader ontvankelijk is in het hoger beroep omdat hij tot de uithuisplaatsing een gezinsleven met de minderjarige heeft gehad. Het hof bevestigt dat artikel 6.1.2 lid 1 van de Jeugdwet van toepassing is en toetst de noodzaak van de gesloten plaatsing. Gelet op de ernst van de problematiek, het gebrek aan alternatieven dichter bij huis en de voortgang die de minderjarige boekt in de gesloten accommodatie, acht het hof de maatregel gerechtvaardigd.
Het hof wijst het beroep van de vader af en bekrachtigt de bestreden beschikking. De belangen van de minderjarige en zijn veiligheid staan voorop, waarbij de gesloten plaatsing noodzakelijk is om hem te beschermen en verdere ontwikkeling mogelijk te maken. Het hof benadrukt dat de minderjarige bij medewerking snel kan doorgroeien naar een open setting.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot gesloten jeugdhulp en wijst het hoger beroep van de vader af.