Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna; de minderjarige, bij de vrouw zal zijn;
- bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 154,- per maand;
- het meer of anders verzochte ten aanzien van het levensonderhoud afgewezen.
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige , hierna ook kinderalimentatie;
- de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie.
het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:
- te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen een bedrag van € 400,- per maand dan wel een bijdrage te bepalen zoals het hof in goede justitie mag menen te behoren;
- te bepalen dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 2.314,- per maand dan wel een bijdrage te bepalen zoals het hof in goede justitie mag menen te behoren.
Kinderalimentatie
€ 3.618,- per maand. In zijn ter terechtzitting bij pleitnotities overgelegde draagkrachtberekening, berekent de man zijn NBI ten behoeve van de kinderalimentatie op afgerond € 3.237,- per maand. De man betwist dat bij hem sprake zou zijn van niet opgegeven inkomen. Hij is de lasten voor de vrouw blijven voldoen uit moraal en fatsoen jegens de vrouw en de minderjarige, ondanks de dalende winst uit zijn eenmansbedrijf. De man heeft hierdoor zelf zeer zuinig moeten leven. Thans is de man niet meer in staat deze hoge lasten voor de vrouw te dragen. Door zijn medische toestand kan de man niet meer uren werken dan hij thans doet.
€ 3.237,- per maand bedraagt.
€ 19.000,- op zijn ondernemingsvermogen heeft ingeteerd. De in de procedure overgelegde financiële stukken komen het hof als voldoende betrouwbaar voor. Voorts heeft het hof kunnen vaststellen dat de accountant op basis van de richtlijnen van een samenstellingsverklaring de jaarrekening heeft beoordeeld. Het hof ziet derhalve geen aanleiding aan te nemen dat bij de man sprake is van ‘zwart’ geld of van inkomen uit vermogen, zoals de vrouw stelt en dit is ook niet door haar onderbouwd.