Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
onderdeel 1komt de vrouw op tegen het oordeel in rov. 2.8, dat naar aanleiding van het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets rekening dient te worden gehouden met de maandelijkse verplichtingen van de man ten gevolge van zijn schulden. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft verzuimd te onderzoeken of aflossing van de schulden leidt tot een onaanvaardbare situatie in het licht van de in het Rapport alimentatienormen 2013-2 neergelegde aanvaardbaarheidstoets, althans daarvan geen blijk heeft gegeven en derhalve zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Verder richt het onderdeel tegen dit oordeel diverse klachten, voornamelijk motiveringsklachten, en betoogt het - samengevat - dat het na-huwelijkse schulden betreft waarmee het hof geen rekening had mogen houden, althans dat de betrokken schulden onnodig zijn aangegaan.
“(i)ndien in geschil is of sprake is van extra lasten en of deze effect zouden moeten hebben op de draagkracht (…)”(Rapport alimentatienormen 2013-2, onder 7.2.2). Daarentegen kan met lasten ten aanzien waarvan tussen de onderhoudsplichtigen vaststaat dat zij
“drukken op de draagkracht van de onderhoudsplichtige, zoals bijvoorbeeld betalingen in verband met de restschuld voor de voormalige echtelijke woning of andere huwelijkse schulden, (…) rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen, zoals vermeld in de tabel, te verhogen”(Rapport alimentatienormen 2013-2, onder 7.2.1). Mede blijkens de verwijzing in rov. 2.8 van het bestreden arrest naar rov. 4.8 (in samenhang met rov. 2.4) van het tussenarrest was het hof kennelijk van oordeel dat de man voldoende heeft aangetoond dat de betrokken schulden op zijn draagkracht drukken en reeds op grond van het gestelde in het Rapport alimentatienormen 2013-2 onder 7.2.1 in aanmerking kunnen worden genomen, zonder dat de aanvaardbaarheidstoets behoeft te worden uitgevoerd [13] .
“huwelijkse schulden”slechts als voorbeeld worden genoemd [14] ) toepassing kan vinden.
“een eigen zaak te starten”(en niet om een reeds bestaande, verlieslatende onderneming in stand te houden). Ook in het verweerschrift in het incidentele appel onder 25 lees ik niet het verwijt dat de man tegen beter weten in een verliesgevende onderneming heeft voortgezet:
“De man heeft niet aangetoond eerder dan september 2011 te hebben afgelost op de schuld. De vrouw vermoedt dan ook dat de man thans doet voorkomen alsof hij op de schuld aflost, terwijl dit feitelijk niet het geval is.”). Wat betreft de schuld aan ABN respectievelijk [betrokkene] heeft het hof in rov. 4.8 van het tussenarrest vastgesteld dat de man daarop afloste en ook thans aflost met € 300,- per maand. Met betrekking tot de schuld van de man aan zijn ouders heeft het hof in diezelfde rechtsoverweging vastgesteld dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat de man daarop daadwerkelijk aflost. Bij die stand van zaken mocht het hof de aflossingen, ook die op de schuld van de man aan zijn ouders, in aanmerking nemen, zelfs als juist zou zijn dat de man (hetgeen hij heeft betwist) niet eerder dan september 2011 op die schuld zou hebben afgelost.
“PvdA en VVD plan voor de nieuwe berekening van kinderalimentatie”) [27] aanmerkelijk verder gaat in het hanteren van forfaitaire bedragen dan de nieuwe, per 1 april 2013 geldende richtlijn van het Rapport alimentatienormen. Volgens dat plan worden niet bepaalde kosten, maar wordt de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder in haar geheel forfaitair aan de hand van het netto-inkomen na scheiding bepaald.
)gesignaleerde discrepantie tussen de wijze waarop woonlasten bij de bepaling van kinderalimentatie respectievelijk bij de bepaling van partneralimentatie worden verdisconteerd. Het mogelijke resultaat dat wordt geoordeeld dat er géén ruimte is voor kinderalimentatie, maar wél voor partneralimentatie, acht ik moeilijk met het wettelijke uitgangspunt van voorrang voor kinderalimentatie te verenigen. Dat probleem is in de onderhavige zaak echter niet aan de orde.
3.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
in confessois dat in 2007 een totaalbedrag van € 22.961,- aan het bedrijf van de man is onttrokken om in de kosten van levensonderhoud van het gezin te voorzien, komt mij niet onbegrijpelijk voor. Uit het verweerschrift in het incidentele appel onder 6 kan niet anders worden afgeleid dan dat de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat de privé opgenomen bedragen aan de kinderen, althans aan het gezin, zijn besteed [29] :
nietnoodzakelijkerwijs ten laste van de winst komende [30] ) privéopnames ziet. Voorts heeft hij daarbij het standpunt ingenomen dat over de privéopnames belasting zou moeten worden betaald en dat de opgenomen bedragen, voor zover die al bij de vaststelling van het netto gezinsinkomen zouden moeten worden betrokken, daarom naar nettobedragen zouden moeten worden omgerekend. Over de bestemming van de opgenomen bedragen is niets gesteld; evenmin is betwist dat deze aan de kinderen of althans het gezin zijn besteed.