Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 23 augustus 2016
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[appellant],
DE GEMEENTE DEN HAAG,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(hierna: het pand) tegen een huurprijs van laatstelijk € 201.907,98 per jaar. De huur was aangegaan tot 1 januari 2012.
“(….)Koper zal in haar hoedanigheid van huurder de vigerende huurovereenkomst (lopende tot 1 januari 2012) afkopen, per datum eigendomsoverdracht, tegen een bedrag van € 480.000,00 (….) te voldoen aan verkoper.(….)De eigendomsoverdracht zal op 2 januari 2009 plaatsvinden. Betalingen (onroerend goed en afkoopsom huurovereenkomst) zullen gelijktijdig met de eigendomsoverdracht plaatsvinden (…).(…)Het verkochte wordt geleverd in verhuurde staat tot de datum van eigendomsoverdracht.(….)Koper maakt het voorbehoud van finale bestuurlijke goedkeuring;Koper maakt het voorbehoud ten aanzien van de uitkomsten Bouwkundig en Bodemtechnisch onderzoek;(…)”
“(…)1. Per 20 januari 2009 wordt de (…) huurovereenkomst beëindigd.2. Uiterlijk op de datum van beëindiging zal huurder aan alle verplichtingen welke voor hem uit de huurovereenkomst voortvloeien hebben voldaan.3. (…..)4. (…..)5. Huurder zal uiterlijk 20 januari 2009 een bedrag van € 480.000 (…) aan verhuurder betalen via de notaris. Na ontvangst van dit bedrag bij de notaris verlenen huurder en verhuurder elkaar finale kwijting en verklaren over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben ten aanzien van de huurovereenkomst en de onroerende zaak Zichtenburglaan 33 te Den Haag.”
€ 2.270.000,-- plus het huurafkoopbedrag van € 480.000,--) voldaan.
€ 40.000,-- (email 19 januari 2009 van [appellant] aan mr. A.A. de Jonge; overgelegd bij brief van 2 juni 2015 ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep), omdat hij daardoor geen gebruik kon maken van de zogenaamde in/uitschuifclausule en de lopende hypotheek zou moeten afkopen. Het was de bedoeling, in ieder geval van [appellant], dat deze kosten werden verrekend met de reeds betaalde huur over het eerste kwartaal 2009. Hierop heeft de finale kwijting in de huurbeëindigingsovereenkomst van 20 januari 2009 betrekking. Subsidiair betoogt [appellant] dat de huurovereenkomst tot 20 januari 2009 heeft geduurd zodat in ieder geval tot die datum huur verschuldigd is ten bedrage van € 11.217,11.
Huurbetalingsverplichting tot 20 januari 2009
per datum eigendomsoverdracht(onderstreping hof), terwijl in de nadere overeenkomst van 20 januari 2009 is vastgelegd dat de huurovereenkomst per 20 januari 2009 wordt beëindigd. Dit maakt duidelijk dat de huurovereenkomst uiteindelijk formeel tot 20 januari 2009 in stand is gebleven en dat de huur toen (per datum eigendomsoverdracht) werd afgekocht. Dit sluit bovendien ook aan op de afspraak (van 6 juni 2008) dat het verkochte zal worden geleverd in verhuurde staat tot de datum van de eigendomsoverdracht. Dit betekent dat de Gemeente in beginsel huur verschuldigd is tot 20 januari 2009.
€ 480.000,-- reeds per 1 januari 2009 was afgekocht, zodat daarna geen huur meer verschuldigd was, heeft de Gemeente dit beroep in het licht van de nadere afspraken van 20 januari 2009 en hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 9 is overwogen niet deugdelijk onderbouwd, althans is de toelichting van de Gemeente bij haar tweede grief ontoereikend. Onder deze omstandigheden blijft (in ieder geval) de elementaire huurbetalingsverplichting tot 20 januari 2009 in stand. De omstandigheid dat het pand begin januari 2009 was ontruimd maakt dit niet anders. Dit is kennelijk de keuze van de Gemeente geweest, hoewel toen al de afspraak was gemaakt dat de levering pas op 19 januari 2009 zou plaatsvinden. De kwestie van de betaalde huur ná 20 januari 2009 zal hierna worden besproken bij het finale kwijtings-verweer van [appellant].
Inhoud finale kwijting
Voor de goede orde merkt het hof nog op dat de schade die [appellant] naar zijn zeggen heeft geleden doordat de aanvankelijk geplande leveringsdatum 2 januari 2009 werd verschoven, in deze procedure niet aan de orde is. Voor verrekening is, zoals de rechtbank met juistheid en in hoger beroep niet weersproken heeft overwogen, geen plaats, terwijl [appellant] evenmin een dergelijke vordering in eerste aanleg in reconventie heeft ingesteld.
De buitengerechtelijke kosten
Slotsom
Wél is duidelijk geworden dat de huurbetaling die betrekking had op de periode ná 20 januari 2009 onverschuldigd is geweest. [appellant] is daarom met juistheid veroordeeld tot terugbetaling van die huur.
Omtrent de stelling van de Gemeente (in grief 3) dat de rente moet worden terugbetaald vanaf de dag der betaling wordt als volgt geoordeeld. De gemeente heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat [appellant] op de dag van betaling het geld ontving terwijl hij wist of moest vermoeden dat de betaling niet aan hem verschuldigd zou zijn. De huurrelatie is ook daadwerkelijk nog enige weken na de betaling voortgezet. Dat [appellant] toen te kwader trouw was, kan daarom niet worden aangenomen. De rente wordt dus berekend vanaf de datum waarop [appellant] door ingebrekestelling in verzuim was. De grief faalt.
Beslissing
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2011, en
- veroordeelt [appellant] tot betaling aan de Gemeente van een bedrag van € 39.259,89, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2010 tot de dag der voldoening;
- compenseert de proceskosten in eerste aanleg in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van de Gemeente begroot op € 1.815,- aan griffierecht en € 1.737,-- aan salaris voor de advocaat;