Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 juni 2016
[appellant] ,
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
bekrachtigd.
Gerechtshof Den Haag
Appellant is bij vonnis van de rechtbank onder de schuldsaneringsregeling geplaatst, die later op verzoek van de bewindvoerder en met instemming van de rechter-commissaris tussentijds werd beëindigd. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze beëindiging. De rechtbank had geoordeeld dat appellant zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren nakwam en dat hij bovenmatige schulden liet ontstaan, mede vanwege een boedelachterstand van ruim € 23.000.
Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat appellant ondanks waarschuwingen en verhoren niet heeft voldaan aan zijn afdrachtverplichting, waardoor de boedelachterstand is opgelopen tot circa € 27.000. Appellant heeft nagelaten tijdig hulp in te schakelen en heeft onvoldoende onderbouwd dat het vrij te laten bedrag onjuist is berekend. De bewindvoerder adviseerde het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.
Het hof oordeelt dat van schuldsaneringsgerechtigden mag worden verwacht dat zij zich maximaal inspannen om aan de verplichtingen te voldoen. De forse en voortdurende achterstand vormt een kernverzuim dat tussentijdse beëindiging rechtvaardigt. Een verlenging van de regeling acht het hof niet opportuun, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt de achterstand te kunnen inlopen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en een aanzienlijke boedelachterstand.