Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 13 september 2016
[bedrijf],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“(…)
“Perceel 4 heeft alle vaartuigen die we als werf nu ook in het contract hebben. Echter één vaartuig is toegevoegd – de Cygnus – welke met zijn afmeting van 30 meter en 185 ton niet past binnen onze faciliteiten. Hiervoor is dan ook Neptune Repair als onderaannemer betrokken om te voldoen aan Paragraaf 3.3 lid 2 a en b van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument.”
“Voor wat betreft de inschrijving van […] op perceel 4 heeft Rijkswaterstaat ook moeten concluderen dat zij – net als u – op dat perceel niet voldoende faciliteiten heeft die toereikend zijn voor het onderhoud aan alle vaartuigen uit dat perceel. Dit betekent dat de inschrijving van […] op perceel 4 alsnog terzijde is gelegd. Ook op dit perceel resteren geen geldige inschrijvingen en wordt de aanbesteding ingetrokken. Er zal worden overgegaan tot heraanbesteding. Het staat u vrij om daaraan weer deel te nemen.
grieven 1 en 2zijn gericht tegen de feitenweergave door de voorzieningenrechter. In de
grieven 3 en 4werkt [appellante] haar standpunt uit dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen geschiktheidseisen enerzijds en uitvoeringseisen anderzijds. Zij voert in dit verband aan dat de eis met betrekking tot de transporttijd in paragraaf 22.1 lid 10 van het bestek een uitvoeringseis is en dat zij dus niet gehouden was in haar Eigen Verklaring opgave te doen van derden die bij de uitvoering daarvan betrokken waren.
Grief 5richt zich op verschillende gronden tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de inschrijving van [appellante] op perceel 4 en perceel 7 terecht ongeldig is verklaard. In
grief 6werkt [appellante] haar betoog uit dat zij kan beschikken over de faciliteiten van de “achterliggende derden van Neptune”.
Grief 7komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellante] niet heeft willen preciseren op welke bedrijven zij een beroep moet doen.
Grief 8is gericht tegen de afwijzing van de vordering als zodanig.
perceel 4wordt ingetrokken omdat er geen geldige inschrijvingen meer zijn. [appellante] voert aan dat de door Rijkswaterstaat aangevoerde reden voor intrekking geen stand kan houden omdat in ieder geval haar inschrijving geldig was.
en7 de beschikking heeft. Gelet daarop mocht Rijkswaterstaat er naar voorlopig oordeel vanuit gaan dat [appellante] voor perceel 4 ook een beroep deed op een in Aalst gevestigde derde. Haar brief van 13 november 2015 maakt dat op zichzelf niet anders omdat daaruit niet onmiskenbaar duidelijk wordt dat zij niet langer voor perceel 4 gebruik zou willen maken van faciliteiten in Aalst.
perceel 7geldt dat de opdracht inmiddels is gegund. De gewijzigde vordering legt de vraag voor of het hof dient in te grijpen in de aldus gesloten overeenkomst en een ordemaatregel moet treffen. Daartoe zal het hof alleen overgaan indien [appellante] als uitgesloten inschrijver in hoger beroep feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat de overeenkomst naar redelijke verwachting op één van de in de Aanbestedingswet 2012 genoemde gronden (kort samengevat: niet-naleving van de plicht tot openbare aanbesteding of niet-naleving van voor de aanbesteding geldende termijnvoorschriften) in een bodemgeschil vernietigd zal worden, dan wel dat de aanbestedende dienst met het aangaan van de overeenkomst jegens de verliezende inschrijver onrechtmatig handelt doordat zij daarbij misbruik van bevoegdheid maakt (hetgeen bijvoorbeeld het geval zal kunnen zijn wanneer de aanbestedende dienst de overeenkomst is aangegaan met klaarblijkelijke miskenning van fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht) ofwel dat de overeenkomst is aangegaan onder omstandigheden die tot de voorlopige conclusie leiden dat sprake lijkt te zijn van nietigheid op grond van artikel 3:40 BW Pro. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de wettelijke regeling van het aanbestedingsrecht niet van openbare orde is en dat slechts onder uitzonderlijke omstandigheden een uit een aanbestedingsprocedure voortgekomen overeenkomst, bij de voorbereiding waarvan de aanbestedende dienst het aanbestedingsrecht heeft geschonden, nietig of vernietigbaar is (HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999: ZC2826, en HR 4 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2806). Daarmee wordt niet zozeer de aanbestedende dienst beschermd, als wel de wederpartij aan wie het werk of de levering is opgedragen.
klaarblijkelijkemiskenning van een fundamenteel beginsel van aanbestedingsrecht gelegen. Voorts is de vraag wie in dat verband het gelijk aan zijn zijde heeft, niet eenvoudig te beantwoorden en vergt nader onderzoek dat niet binnen de kaders van dit kort geding kan worden uitgevoerd. Ook de tijdens het pleidooi ingenomen stelling dat [appellante] om te voldoen aan de geschiktheidseisen voor perceel 7 geen beroep hoeft te doen op derden, kan niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een klaarblijkelijke miskenning van een fundamenteel beginsel van aanbestedingsrecht, reeds omdat dit standpunt afwijkt van haar eerdere mededeling in de e-mail van 16 september 2015:
“Ten aanzien van de transporttijd voor de onderhoudsbeurten is onze inschrijving eveneens bestekconform en hebben wij in onze samenwerking met derden (i.e. Neptune) afspraken gemaakt over de inzet van hun faciliteiten in Lauwersoog en Hasselt voor de vaartuigen in perceel 7 met een noordelijke ligplaats”). Weliswaar had dit bericht betrekking op de transporttijden-eis, maar uit het bericht moet eveneens worden afgeleid dat [appellante] de faciliteiten van derden gaat gebruiken juist om daaraan te voldoen, zodat, zoals hierboven is overwogen, de situatie als bedoeld in paragraaf 3.3 lid 2 onder a van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument zich voordoet. Zoals hierboven ook is overwogen, hadden die derden dan ook in de Eigen Verklaring moeten worden opgenomen. Rijkswaterstaat heeft er verder terecht op gewezen dat [appellante] in haar appeldagvaarding zelf ook heeft aangegeven een beroep op derden te doen om te voldoen aan de geschiktheidseisen. Uit de brief van 13 november 2015 blijkt niet iets anders.