Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest
ENEL S.p.A.,
ENELPOWER S.p.A.,
ALBANIA BEG AMBIENT Sh.p.k.,
De beoordeling van het hoger beroep
Withdrawal’, gaf beide contractspartijen de vrijheid om een negatieve dan wel positieve investeringsbeslissing te nemen - ‘
Each party is free to make a final investment decision [..] that is positive or negative. If a negative decision is made by one of the parties, all the costs borne by such party will continue to be for its account [..]’. EnelPower heeft zich in het najaar van 2000 teruggetrokken uit het project, waarop BEG haar heeft aangesproken voor de beweerdelijk daardoor geleden schade, onder meer bestaande uit het verlies van de door de Albanese overheid verleende concessie. Omdat EnelPower iedere aansprakelijkheid van de hand wees, heeft BEG op 23 november 2000 - conform het arbitraal beding in de samenwerkingsovereenkomst - een arbitrageprocedure tegen haar aanhangig gemaakt bij de Arbitrage Kamer van de Kamer van Koophandel te Rome. Bij beslissing van 25 november 2002 heeft dit arbitrale college BEG’s vordering als zijnde ongegrond afgewezen. De uitspraak is door slechts twee van de drie arbiters ondertekend (6 december 2002); de derde, op voordracht van BEG benoemde arbiter heeft niet getekend. BEG heeft de rechtbank te Rome verzocht om wraking van één van de arbiters (de op voordracht van Enel benoemde prof. x, een oud-bestuurslid van Enel), doch in dat verzoek is zij bij vonnis van 20 februari 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Daarop heeft BEG vernietiging van het arbitrale vonnis gevorderd. Op die vordering is door het Hof van Beroep te Rome afwijzend beslist (9 maart 2009), terwijl ook het door BEG tegen die afwijzing gerichte cassatieberoep door het Italiaanse Corte Suprema di Cassazione is verworpen (20 oktober 2010). In de tussentijd (mei 2004) had AlbaniaBEG (ook wel: ABA) - zijnde een door BEG in maart 2000 opgerichte dochtervennootschap - bij de Albanese overheidsrechter een procedure aanhangig gemaakt tegen Enel c.s. Stellende dat zij het in de samenwerkingsovereenkomst voorziene SPV was, vorderde AlbaniaBEG vergoeding van de beweerdelijk door haar als gevolg van het afhaken van Enel c.s. geleden buitencontractuele schade. De rechtbank te Tirana (Albanië) heeft deze vordering bij vonnis van 24 maart 2009 toegewezen. De beslissing - met daarbij een dissenting opinion van één van de rechters - houdt (vertaald) o.m. in:
zijwel een bankgarantie van € 54 miljoen moet verstrekken, terwijl Enel c.s. ervoor kan kiezen om de beslagen (die, aldus AlbaniaBEG, mogelijk nauwelijks doel hebben getroffen) te laten liggen en dus geen bankgarantie te stellen. Wat haar betreft zou een praktische insteek zijn dat (i) Enel c.s. haar een bankgarantie van € 450 miljoen verstrekt, (ii) mits zij, AlbaniaBEG, een contra-bankgarantie (op door haar wenselijk geachte condities) ten behoeve van Enel c.s. stelt, waarna (iii) de conservatoire beslagen worden opgeheven, met als bijkomend voordeel dat een nadere beoordeling van het geschil achterwege kan blijven. Dit is inderdaad de benadering zoals die bij gelegenheid van het pleidooi met partijen is besproken. Dat, afgezien van de condities van de bankgaranties, Enel c.s. met haar eiswijzigingen iets anders voor ogen heeft gestaan is, anders dan AlbaniaBEG meent, niet aannemelijk. Vergelijk bijvoorbeeld punt 116 uit de door de advocaten van Enel c.s. overgelegde pleitaantekeningen in hoger beroep:
Gazprombank/Bensadon), NJ 2015/478 m.nt. Th.M. de Boer - in beginsel het geval indien (i) de bevoegdheid van de Albanese rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de Albanese beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de Albanese beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde en (iv) de Albanese beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
nietvermeldde is dat de
integraal gehonoreerdebegroting een ex
welte spreken over een integraal gehonoreerde begroting en te wijzen op de beperkte geldingsduur van de TRO, met daarbij de vermelding (i) dat tijdens die duur geen verhaalsobjecten waren gevonden en (ii) (meteen daarna): ‘Uiteindelijk is de order door de rechtbank opgeheven’, maar
onvermeldte laten het door Enel c.s. met succes gevoerde verweer tegen de TRO en het hiervoor weergegeven opheffingskader, wordt in het beslagrekest een misleidend beeld geschetst, te weten een beeld dat de opheffing van de TRO samenhing met het verstrijken van de geldigheidsduur ervan (in plaats van met het door Enel c.s. gevoerde verweer). Ook had in het beslagrekest melding moeten worden gemaakt van de procedure die al circa twee jaar in Frankrijk liep en van het feit dat de beslagen in Frankrijk voor € 1,7 miljoen doel hadden getroffen. De voorzieningenrechter heeft op zichzelf genomen terecht een consequentie verbonden aan deze gang van zaken.
De beslissing
drie wekenna het stellen van die bankgarantie door Enel c.s. ten gunste van Enel c.s. door de Italiaanse bank Intesa Sanpaolo S.p.A., met vestiging in Amsterdam, dan wel door één van de vier grootste Nederlandse banken, een contra-bankgarantie volgens de standaardtekst van het NVB-model Beslaggarantie 1999 heeft doen stellen voor een bedrag van € 49.852.000 (negenenveertig miljoen achthonderdtweeënvijftig duizend euro);