Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.de Staat der Nederlanden (het ministerie van Financiën, de Belastingdienst),
2.Telindus-Isit B.V.,
2.Het hof gaat uit van de volgende feiten:
principaal appelde vernietiging van het bestreden vonnis. Voor het geval de opdracht inmiddels aan Telindus is gegund, vordert KPN primair een gebod aan de Belastingdienst om de tot stand gekomen overeenkomst ter zake de opdracht tegen een door het hof te bepalen datum op te zeggen, dan wel op enige andere wijze te (doen) eindigen en de Belastingdienst te gebieden de opdracht te gunnen aan KPN, voor zover de Belastingdienst de opdracht nog wenst te vergeven. Subsidiair vordert KPN voor dit geval een gebod aan de Belastingdienst om de tot stand gekomen overeenkomst ter zake de opdracht tegen een door het hof te bepalen datum op te zeggen, dan wel op enige andere wijze te (doen) eindigen en de Belastingdienst te gebieden tot herbeoordeling van de inschrijvingen over te gaan, althans tot het uitvoeren van een proportionaliteitstoets terzake van toepassing van de in artikel 2.87 lid 1 sub c AW en/of artikel 2.87 lid 1 sub e AW opgenomen uitsluitingsgronden. KPN vordert voorts oplegging van een dwangsom en veroordeling van de Belastingdienst in de kosten van het geding.
Grief 1in het principaal appel is gericht tegen een onderdeel van de feitenweergave. KPN voert aan dat de voorzieningenrechter heeft verwezen naar artikel 2.87, eerste lid sub c, Aw, terwijl in de brief van de Belastingdienst van 31 maart 2016 is verwezen naar artikel 2.87, eerste lid sub e Aw. Die grief is terecht voorgedragen, maar omdat uit niets blijkt dat deze verschrijving invloed heeft gehad op de beslissing van de voorzieningenrechter, heeft KPN bij die grief geen belang, zodat deze verder onbesproken blijft.
Grief 2is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat de vaststelling van de juistheid van de geconstateerde toepasselijkheid van een van de twee door de Belastingdienst aan zijn beslissing ten grondslag gelegde uitsluitingsgronden reeds tot de conclusie leidt dat KPN op goede gronden is uitgesloten. KPN voert aan dat deze overweging onjuist is omdat nog een proportionaliteitstoets moet worden uitgevoerd.
Grief 3komt op tegen overweging 5.3 van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat de Belastingdienst voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat KPN in de uitoefening van het beroep een ernstige fout heeft begaan. KPN weerspreekt dat op verschillende gronden. Ook de
grieven 5 en 6komen tegen dit oordeel, en tegen het in rechtsoverweging 5.4.1 neergelegde oordeel, op.
Grief 4is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de uitsluiting van KPN kan worden gestoeld op het feit dat KPN zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse verklaring. Met
grief 7komt KPN op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel zich ertegen verzetten dat KPN een mogelijkheid wordt geboden om de gebreken in de Eigen verklaring te herstellen en dat deze beginselen eraan in de weg staan dat een proportionaliteitstoets ertoe zou kunnen leiden dat niet tot uitsluiting wordt overgegaan.
Grief 8richt zich tegen de uitgesproken kostenveroordeling.
voorwaardelijk incidenteel appelvordert Telindus, voor het geval het hof het vonnis van de voorzieningenrechter niet bekrachtigt, de gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis en primair een gebod aan de Belastingdienst om over te gaan tot herbeoordeling/verificatie van de inschrijfprijzen van KPN, dan wel van alle inschrijvingen, door een nieuw samen te stellen onafhankelijk beoordelingsteam, althans subsidiair een gebod aan de Belastingdienst om over te gaan tot herbeoordeling/verificatie van de inschrijfprijzen van KPN, dan wel alle inschrijvingen, althans meer subsidiair om de voorziening te treffen die het hof in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Telindus. Telindus vordert tot slot de veroordeling van KPN in de kosten van het geding.
klaarblijkelijkemiskenning van een fundamenteel beginsel van aanbestedingsrecht. Gelet op de hoogte van de opgelegde boetes en de aard van de overtredingen acht het hof het niet op voorhand aannemelijk dat de in dit kader uit te voeren proportionaliteitstoets in het voordeel van KPN zou zijn uitgevallen. Dat betekent dat – wat er ook zij van de vraag of sprake is van het afleggen van een valse verklaring – voorshands evenmin aannemelijk is dat de opdracht in dit geval aan KPN had moeten worden gegund. Voor het ingrijpen in de reeds gesloten overeenkomst is dan ook geen aanleiding. Een belangenafweging maakt dat niet anders. De door KPN in dit verband aangevoerde belangen gelden immers in gelijke mate voor de andere betrokken partijen.
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 9 juni 2016;
- veroordeelt KPN in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Belastingdienst en Telindus ieder tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.