Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 oktober 2016
[appellant],
De Jong’s Timmerfabriek Bergambacht B.V.,
Het verdere verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
[appellant], geboren op 1 januari 1965, is op 4 juli 1988 in dienst getreden bij De Jong. Laatstelijk was hij daar werkzaam in de functie medewerker opsluitbank, dit tegen een salaris van € 2.196,75 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Bij beslissing van 19 augustus 2013 heeft het UWV De Jong toestemming verleend om [appellant] te mogen ontslaan wegens bedrijfseconomische redenen. De Jong heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd tegen 1 december 2013.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] is hiervan in hoger beroep gekomen.
- de kantonrechter gaat uit van een onjuiste aanname van zijn positie op de arbeidsmarkt en een onjuiste prognose van de te verwachten werkloosheidsduur. De kans op uitstroom naar een baan van 50% en de verwachte werkloosheidsduur van 342 dagen zijn niet indicatief voor de situatie van [appellant];
- dat [appellant] aan het hebben van een baan niet de zekerheid kan ontlenen dat hij tot zijn pensioen het laatstverdiende salaris zal genieten, kan geen argument zijn om te concluderen dat geen sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging;
- de kantonrechter hecht ten onrechte veel waarde aan het feit dat De Jong [appellant] heeft aangemeld bij SSWT en Matchcare. Feitelijk had deze (na)zorg niet veel om het lijf;
- de kantonrechter is er ten onrechte van uit gegaan dat de financiële positie van De Jong zo slecht was, dat de continuïteit van de onderneming in gevaar kwam.
Beslissing
- laat [appellant] toe tot bewijs dat er inhoudelijk geen verschil was tussen zijn werkzaamheden en de werkzaamheden van Deelen en Neeven;|
- bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, op
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden januari tot en met maart 2017, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.