ECLI:NL:GHDHA:2016:2848

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 juli 2016
Publicatiedatum
29 september 2016
Zaaknummer
22-005743-15
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 310 SrArt. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in diefstalzaak met veroordeling tot geldboete en hechtenis

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens diefstal van €50 uit een pinautomaat in een Albert Heijn-filiaal te 's-Gravenhage op 23 maart 2015. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Het hof acht bewezen dat de verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening het briefje van €50 uit de gleuf van de pinautomaat heeft weggenomen, ondanks het verweer dat zij dit niet met die intentie deed. De verklaring van de verdachte dat zij in de war raakte door de agressieve benadering van de aangever werd niet ondersteund door camerabeelden en verworpen.

Het hof baseerde zijn oordeel op de camerabeelden waarop een snelle handbeweging richting de jaszak van de verdachte te zien was, hetgeen getuigt van het oogmerk tot toe-eigening. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €200, bij gebreke van betaling te vervangen door vier dagen hechtenis. De straf is vastgesteld rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €200, bij gebreke van betaling te vervangen door vier dagen hechtenis wegens diefstal van €50.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005743-15
Parketnummer: 09-057375-15
Datum uitspraak: 12 juli 2016
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 16 december 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1956,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 juni 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 23 maart 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 50 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op
of omstreeks23 maart 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 50 euro,
in elk geval enig goed, geheel of ten deletoebehorende aan [benadeelde partij]
, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, op gronden als vermeld in de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening het briefje van € 50,- uit de pinautomaat heeft gehaald, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De aangifte van [benadeelde partij] houdt in dat hij op
23 maart 2015 rond 17.50 uur in een filiaal van de Albert Heijn € 50,- heeft gepind, dat hij even in gedachten was en naar links, naar buiten keek, dat hij vervolgens bedacht dat hij het gepinde geld nog moest pakken en dat er inmiddels een mevrouw dichtbij de pinautomaat was gaan staan die een snelle beweging met haar rechterhand richting haar rechterzak maakte. De aangever heeft gevraagd of hij nog even bij de pinautomaat mocht kijken, maar de mevrouw zei dat ze ging pinnen. Aangever zag dat de gleuf van de pinautomaat leeg was.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij inderdaad de € 50,- die de man gepind had uit de gleuf heeft gepakt. Bij het bekijken van de beelden ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij aangegeven dat zij met de snelle handbeweging die te zien is richting het gelduitgiftevak en vervolgens naar haar rechter jaszak, het geld heeft gepakt. Zij heeft aangegeven dat zij geïrriteerd was omdat de man veel tijd nodig had om te pinnen en dat de man op haar een rare indruk maakte aangezien hij de hele tijd om zich heen keek. Vervolgens raakte zij in de war door de agressieve wijze waarop de man haar aansprak en daarna ook aan haar zakken begon te voelen. De verdachte was naar eigen zeggen moe en had weinig energie en raakte in de war door het gedrag van de man, zeker toen hij haar agressief benaderde. Evenwel heeft zij, naar eigen zeggen, nooit de intentie gehad het geld voor zichzelf te houden. Dit werd ook ondersteund door het feit dat zij de € 20,- die zij later voor zichzelf pinde heeft vergeten te pakken.
Toen een medewerker van de winkel haar vervolgens hierop wees en haar dit briefje gaf, begreep zij er helemaal niets meer van, aldus de verdachte.
Op grond van de camerabeelden, die ter terechtzitting in hoger beroep zijn bekeken, heeft het hof geconstateerd dat de verdachte met haar rechterhand een snelle en korte beweging in de richting van haar rechter jaszak maakte, hetgeen ook wordt gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot die camera-beelden en door verdachte is bevestigd. Die handeling van de verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het zich wederrechtelijk toeëigenen van de € 50,-, dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte het oogmerk had om dit gevolg te laten intreden.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij zeer agressief werd benaderd door de man en dat hij aan haar zakken voelde. Hierdoor zou zij in de war zijn geraakt. Het hof heeft op de zitting echter geconstateerd dat de verklaring van de verdachte niet wordt ondersteund door de camerabeelden, en acht de verklaring van de verdachte op dat punt dan ook niet aannemelijk. Een contra-indicatie die verband houdt met de door verdachte gestelde consternatie is derhalve niet aan de orde. Andere relevante contra-indicaties zijn voorts gesteld noch gebleken.
Het hof verwerpt dan ook het verweer en acht het tenlastegelegde oogmerk wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
4 (vier) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt,
mr. M.C.R. Derkx en mr. J. Candido, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 juli 2016.