Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] namens de raad;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling;
- de biologische vader.
Gerechtshof Den Haag
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter die haar minderjarige dochter onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling voor de periode van 19 april tot 19 december 2016. De moeder betwistte de ondertoezichtstelling en voerde aan dat het contact met de biologische vader niet wenselijk is vanwege een vermeend schijnhuwelijk en het risico op verstoring van het welzijn van de minderjarige.
De Raad voor de Kinderbescherming stelde dat het belang van de minderjarige is gebaat bij het kennen van haar biologische vader en dat het ontbreken van contact een bedreiging vormt voor haar identiteitsontwikkeling. De moeder werkte niet mee aan hulpverlening, waardoor een vrijwillige aanpak onvoldoende bleek.
Het hof overwoog dat het ouderlijk gezag ook de plicht omvat om de banden met beide ouders te bevorderen en dat het stelselmatig negeren hiervan onder omstandigheden een ondertoezichtstelling kan rechtvaardigen. Gezien het ontbreken van contact sinds 2013 en de weigering van de moeder om mee te werken aan psycho-educatie en hulpverlening, concludeerde het hof dat de rechtbank terecht de ondertoezichtstelling had bevolen.
De bestreden beschikking werd dan ook bekrachtigd, waarbij het belang van de minderjarige centraal stond om haar identiteit te kunnen ontwikkelen door contact met beide ouders. De moeder werd aangespoord het contact te faciliteren.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige wegens het weigeren van de moeder om contact met de biologische vader te bevorderen.