BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
1. In geschil is de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling).
2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen, voor zover daarin een tweewekelijkse zorgregeling is vastgesteld, en in zoverre opnieuw beschikkende:
primairhet aanvullend verzoek van de vader van 17 april 2015 alsnog toe te wijzen, in die zin dat wordt bepaald dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
- de ene week op maandag na de crèche tot woensdag 18.30 uur en van vrijdag 18.30 uur tot maandag naar de crèche;
- de andere week van woensdagochtend 8.30 uur tot vrijdagochtend 8.30 uur;
subsidiairte bepalen dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
- de ene week van dinsdag uit de crèche tot donderdag naar de crèche;
- de andere week van maandag uit de crèche tot woensdag 18.30 uur en van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur;
- vanaf het moment dat de minderjarige naar school gaat, op dezelfde dagen als hierboven, met dien verstande dat waar thans ‘crèche’ staat, ‘school’ dient te worden gelezen;
- de vakantieregeling te bekrachtigen zoals de rechtbank deze heeft vastgelegd bij bestreden beschikking;
- dat enige overige zorgregeling wordt vastgesteld die het hof in goede justitie juist acht.
3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad:
in principaal hoger beroep
de verzoeken van de vader af te wijzen.
in incidenteel hoger beroep
de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de minderjarige de ene week van dinsdag uit de crèche tot donderdag naar de crèche bij de vader verblijft en te bepalen dat de minderjarige elke week van dinsdag uit de crèche tot woensdagavond 18.30 bij de vader verblijft en om het weekend van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 met bekrachtiging van de regeling omtrent de vakantie en feestdagen.
4. De vader verzet zich daartegen en verzoekt het hof het incidentele hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren en haar verzoek in het incidentele hoger beroep af te wijzen en in hoger beroep (ter aanvulling op het petitum in het beroepschrift):
- te bepalen dat de vader naast de tweewekelijkse zorgregeling de minderjarige incidenteel (bijvoorbeeld als hij een keer vrij is doordeweeks of zijn dochters in Nederland zijn) mag ophalen van de crèche, zonder voorafgaande toestemming van de moeder, waarbij de vader de moeder wel tevoren informeert en zorgt dat de minderjarige op de vastgestelde tijd bij de moeder zal zijn, alsmede;
- te bepalen dat de vader de minderjarige bij zich mag hebben zeven extra dagen per jaar in verband met bijzondere gebeurtenissen in het leven van de vader of de minderjarige;
- althans enige overige aanvulling op het tweewekelijkse zorgschema vast te stellen.
5. De vader betwist dat de ouders ter terechtzitting in eerste aanleg overeenstemming zouden hebben bereikt en stelt dat hij een ruimere zorgregeling voor ogen had dan door de rechtbank is vastgesteld. De rechtbank is daarbij ten onrechte voorbij gegaan aan het betoog van de vader dat bij het vaststellen van de zorgregeling het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap in acht genomen dient te worden, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6414. De vader stelt dat er geen enkele contra-indicatie is voor een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, nu de minderjarige aan beide ouders is gehecht en de vader vanaf de geboorte van de minderjarige een vaderrol heeft vervuld. De vader stelt voorts dat de communicatie tussen de ouders – behalve ten aanzien van de vormgeving van de zorgregeling – goed verloopt en dat zij op één lijn zitten wat betreft ideeën over opvoeding, verzorging en het bieden van een veilige en liefdevolle omgeving aan de minderjarige. Voorts voert de vader aan dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het vastleggen van een uitgebreidere zorgregeling in de toekomst. Daarmee heeft de rechtbank niet alleen miskend dat de vader al ter zitting een uitgebreidere zorgregeling nastreefde, maar ook dat de moeder van juli 2014 tot april 2015 aan geen enkele uitbreiding heeft meegewerkt, zodat in redelijkheid niet verwacht kan worden dat partijen de regeling in onderling overleg zullen kunnen uitbreiden. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd waarom een uitgebreidere regeling nu of in de nabije toekomst niet kan worden vastgesteld. Gezien de restrictieve benadering van de moeder ten aanzien van het incidenteel eerder ophalen van de minderjarige uit de crèche, stelt de vader dat hij belang heeft bij een vastlegging van extra contactmomenten, bijvoorbeeld als hij een keer vrij is of zijn dochters in Nederland zijn, alsmede bij zeven extra dagen contact per jaar in verband met bijzondere gebeurtenissen in het leven van de vader of de minderjarige. 6. De moeder meent met de vader dat de rechtbank te snel overeenstemming tussen partijen heeft aangenomen. De moeder voert daartoe aan dat de huidige zorgregeling vooral voor instabiliteit in het leven van de minderjarige zorgt, waardoor hij onrustig is geworden. De moeder stelt voorts dat het partijen ontbreekt aan een goede samenwerking en verstandhouding, zodat voor co-ouderschap geen draagvlak is. De minderjarige is bovendien te jong voor een zorgregeling zoals de vader wenst, de minderjarige heeft geen vaste verblijf- en slaapplaats als hij bij zijn vader is en de vader heeft in verband met zijn werk en/of privéleven niet altijd de afspraken na kunnen komen. Voor de minderjarige ontbreekt onder de huidige zorgregeling dan ook de nodige regelmaat en structuur. De door de vader voorgestane zorgregeling zal nog meer onrust voor de minderjarige met zich meebrengen, en is derhalve niet in het belang van zijn ontwikkeling. De moeder stelt – mede in het licht van het voorgaande – voorts dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor een uitgebreidere zorgregeling in de toekomst. Het aanvullend verzoek van de vader is te onbepaald, en kan derhalve niet worden toegewezen naar de mening van de moeder. In incidenteel hoger beroep stelt de moeder – onder verwijzing naar het voorgaande – dat de huidige zorgregeling voor teveel onrust zorgt en niet in het belang is van de ontwikkeling van de minderjarige. Een zorgregeling waarbij de minderjarige een nacht per week en om de week een weekeinde bij de vader verblijft zal voor meer rust en stabiliteit zorgen en is daarom in het belang van de minderjarige.
7. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
8. Ingevolge artikel 1:247, vierde lid, BW, voor zover hier van belang, behoudt een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen na ontbinding van het huwelijk recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Blijkens de beschikking van de Hoge Raad van 21 mei 2010 (LJN BL 7407) verplicht het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap zoals vervat in artikel 1:247, vierde lid, BW niet tot een 50%-50% verdeling van de tijd die het kind bij elke ouder doorbrengt.
9. Het hof is van oordeel dat de door de vader voorgestane zorgregeling thans niet in het belang van de minderjarige is. Het hof overweegt daartoe dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de vader zich onvoldoende heeft aangepast aan hetgeen de minderjarige gelet op zijn nog zeer jonge leeftijd nodig heeft – rust, regelmaat en voorspelbaarheid – doordat hij veel met de minderjarige op stap is en onderneemt, op verschillende plekken verblijft met de minderjarige en niet altijd ten volle op de minderjarige gericht is of kan zijn. Op die manier biedt hij de minderjarige onvoldoende stabiliteit en ontneemt hij de minderjarige de gelegenheid zich ergens thuis te voelen.
10. Naar het oordeel van het hof biedt de door de moeder in incidenteel hoger beroep voorgestelde zorgregeling de minderjarige wel de rust, regelmaat en voorspelbaarheid waar hij gezien zijn leeftijd behoefte aan heeft. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen ten aanzien van de zorgregeling en de zorgregeling bepalen conform het verzoek in incidenteel hoger beroep van de moeder.
11. Het hof zal het verzoek van de vader om voor de toekomst een uitgebreidere zorgregeling te bepalen afwijzen, nu de vader dit verzoek niet in zijn petitum heeft opgenomen en nu niet is te voorzien hoe de situatie in de toekomst zal zijn en welke regeling alsdan in het belang van de minderjarige is.
12. Het hof zal voorts de verzoeken van de vader om te bepalen dat hij de minderjarige zeven extra dagen per jaar bij zich mag hebben, alsmede dat hij de minderjarige incidenteel extra van de crèche mag halen zonder voorafgaande toestemming van de moeder, afwijzen. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de moeder zich bereid heeft verklaard om in overleg de vader extra tijd met de minderjarige door te laten brengen en niet valt in te zien hoe toewijzing van de niet gespecificeerde verzoeken van de vader zal leiden tot minder discussies tussen de ouders.
13. Dit leidt tot de volgende beslissing.