Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest in kort geding van 29 november 2016
in de zaak van:
[appellant],
STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(1.1) [appellant] is fysiotherapeut. Hij heeft een praktijk in [plaatsnaam] alwaar hij, in samenwerking met fysiotherapeuten die bij hem in dienst zijn, zijn patiënten behandelt.
(1.2) [appellant] werkt daarnaast al jarenlang twee dagdelen per week op declaratiebasis als fysiotherapeut in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis (hierna: PI Nieuwersluis of de PI). PI Nieuwersluis is een penitentiaire inrichting voor vrouwen. In PI Nieuwersluis heeft [appellant] tot in januari 2016 gedetineerden behandeld die door de medische dienst van de PI voor fysiotherapie werden doorverwezen. [appellant] heeft hiervoor van PI Nieuwersluis een vergoeding per patiënt, per behandeling ontvangen.
(1.3) Bij brief van 22 januari 2016 heeft een gedetineerde, mevrouw […], (hierna ook: aangeefster) een melding gedaan bij de Commissie van Toezicht van de PI Nieuwersluis over een voorval tijdens de behandeling door [appellant]. In die brief staat vermeld:
“Hierbij wil ik u op de hoogte stellen van de ongepaste handelingen door de fyshio van de P.I. Niewersluis.
Ik loop bij de fyshio voor mijn nek- en hoofd en rugklachten. Op donderdag 21 januari jl ben ik weer behandeld door de fyshio binnen de inrichting en hierbij heeft hij zijn handen in mijn bh gedaan op en onder mijn borsten en hij verklaarde dat dit noodzakelijk was om het los te kraken op mijn borstkas. Ik ben enorm geschrokken en verstijfde waarop ik hem kenbaar heb gemaakt dat dit nog nooit in alle jaren dat ik onder behandeling bij verschillende fyshiotherapeuten ben buiten de p.i., is voorgekomen. Dit valt voor mij enorm zwaar en ik wil hier ook melding van maken bij de medische klachtencommissie en tevens wil ik aangifte tegen hem doen omdat zijn betastingen voor mij voor aanranding valt. (...)”
“ (….) Ik kan mij herinneren dat verweerder de behandeling wel heeft uitgelegd. Verweerder heeft uitgelegd dat hij mij ook aan de voorkant wilde kraken. Hij heeft daarbij echter niet aangegeven dat hij met zijn handen bij mijn bh en borsten zou komen, dat heb ik er niet uit begrepen. Als je half uit de kleren moet voor een behandeling is dat erg lastig. Het voelt voor mij niet prettig dat er aan mijn intieme delen gezeten wordt. Verweerder is tijdens de behandeling zonder waarschuwing mijn bh ingegaan en dat kan ik niet begrijpen. Er was sprake van huid-op-huid-contact en ik vind dat verweerder had moeten aangegeven dat dit kon gebeuren. Ten tijde van de behandeling was ik gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Nieuwersluis. Ik heb het gevoel dat ik tijdens mijn detentie altijd overal met één-nul achterstond. Nadat dit was gebeurd is er niet naar mij geluisterd in de penitentiaire inrichting. Daarom heb ik mijn klacht nu hier neergelegd.(….)
Onder deze omstandigheden kan de PI Nieuwersluis niet volstaan met stilzitten onder handhaving voor onbepaalde tijd van de voor [appellant] belastende schorsing. Dit betekent dat de PI Nieuwersluis, nu de tijd is voortgeschreden, gehouden was om zelfstandig een afweging te gaan maken of de ordemaatregel nog steeds gerechtvaardigd was. Hetgeen de Staat in de memorie van antwoord in 5.9.9. daarover heeft opgemerkt, wordt verworpen. De onwenselijkheid van het vooruitlopen van een eigen intern onderzoek op de uitkomsten van het politieonderzoek, weegt na de lange tijd die is verstreken, niet op tegen de belangen van [appellant]. De stelling van de PI Nieuwersluis dat het (louter) wachten op de uitslag van het politieonderzoek ook thans nog gerechtvaardigd is wordt dus verworpen, evenals de stelling dat de ontzegging van de toegang voorkomt dat politieonderzoek wordt beïnvloed (pleitnota eerste aanleg van de Staat 6.5). De laatste stelling was wellicht aanvankelijk juist, maar niet meer na zoveel maanden in een situatie dat er geen enkele aanwijzing is dat de politie met het onderzoek bezig is of op welke termijn een eventueel onderzoek wordt opgepakt.
In de lange periode van werkzaamheden in de PI Nieuwersluis (en daarvóór) zijn er geen aanwijzingen geweest van grensoverschrijdende handelingen van [appellant] op dit gebied. Aangeefster heeft inmiddels in de tuchtzaak verklaard dat er sprake is geweest van miscommunicatie (zie rechtsoverweging 1.9). Alhoewel [appellant] wellicht enig tuchtrechtelijk verwijt treft in die zin dat hij zijn voorgenomen behandeling (torsie van het bovenlijf volgens de methode Marsman) niet duidelijk genoeg heeft uitgelegd aan aangeefster, is dit onvoldoende om in de gegeven omstandigheden [appellant] nog als een zodanige risicofactor te beschouwen dat toelating tot de inrichting moet worden voorkomen. In het door de Staat gestelde zijn ook geen andere indicaties daarvoor gevonden.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 14 juli 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en
- veroordeelt de Staat om uiterlijk drie dagen na dit arrest de op non-actief stelling van [appellant] op te heffen en hem toe te laten tot zijn werk bij PI Nieuwersluis op de gebruikelijke dagen en de gebruikelijke condities;
€ 885,-- aan griffierecht en € 1.632,-- aan salaris advocaat;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 94,08 aan kosten uitbrenging appeldagvaarding, € 314,-- aan griffierecht en € 1.788,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.