Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van de familiekamer d.d. 18 oktober 2016
Het geding
Beoordeling van het geschil
De vorderingen A, B. II, B. III en B. IV
- Anders dan appellanten aan hun vraag ten grondslag leggen, staat niet vast dat het gezin vanaf 9 november 2011 tot heden permanent gevestigd is in Duitsland. Dit is tussen partijen in geschil en het hele dossier duidt er veeleer op dat het gezin, althans (ook) de kinderen eerst veel later in Duitsland gevestigd is. Het begrip “gewone verblijfplaats” in de zin van (artt. 8 en 10) Brussel II-bis staat voor de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt” (HR 26 juni 2015, in een zaak tussen appellanten en BJZ). In die context bezien hadden de kinderen op 25 november 2011 (nog) verblijfplaats in Nederland.
- Vrij verkeer van goederen en personen is niet in geschil. Niet gezegd kan worden dat in deze zaak Nederlandse instanties eind 2011 ingrijpen in een in Duitsland gevestigd gezin. Het tegendeel is het geval. Het hof verwijst in dat verband naar hetgeen de rechtbank overweegt in r.o. 4.2. Met de beschikking van de Hoge Raad van 4 januari 2013 staat onherroepelijk vast dat de minderjarigen op 25 november 2011 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. De verblijfplaats van de minderjarigen lijkt veeleer eerst gewijzigd door hereniging met de ouders in maart 2015.
- Het systeem van totstandkoming en tenuitvoerlegging van (voorlopige) kinder-beschermingsmaatregelen is naar het oordeel van het hof niet in strijd met een of meer van de door appellanten genoemde verdragen, ook niet voor wat betreft het (beweerdelijk) niet-oproepen en (beweerdelijk) niet-horen. Het hof merkt daarbij op dat tussen partijen ook in hoger beroep nog steeds in geschil is of de advocaat die op de zitting is verschenen op 7 december 2011 optrad voor de vader (aldus de Staat en BJZ) dan wel de grootmoeder (appellanten). De betreffende beschikking duidt op het eerste; het laatste is niet aannemelijk geworden en bovendien geldt dat als grootmoeder is verschenen ook vader van de zitting wist. Dus vader is gehoord.
- Dat sprake is van de betrokkenheid van rechters als hier bedoeld is niet onderbouwd, zeker niet tegen de achtergrond van het hierboven omtrent het systeem overwogene.
- Dat eind december 2011 sprake is (geweest) van tenuitvoerlegging in Duitsland van de beschikkingen van 25 november 2011 en 14 december 2011 in de door appellanten bedoelde zin staat ook in het geheel niet vast. De rechtbank concludeert in de bestreden beschikking dat geen sprake is van tenuitvoerlegging in Duitsland (in het bijzonder niet op grond van artikel 28 van Pro Brussel II bis), maar dat sprake is (geweest) van een feitelijke effectuering (door tussenkomst van Duitse autoriteiten) van de afgegeven machtiging(en) strekkende tot uithuisplaatsing in de vorm van overhandiging van de minderjarigen bij de grens aan BJZ. Het hof leest in de memorie van grieven geen onderbouwde grief tegen dit feitelijk oordeel. Of sprake is van onrechtmatig handelen van de Duitse autoriteiten kan in dat verband in het midden blijven: zo daarvan al sprake zou zijn, hetgeen ter beoordeling aan een Duitse rechter is voorbehouden, is zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet duidelijk waarom de Staat dan wel BJZ daarvoor (ook) aansprakelijk zou zijn.
- Dat raakt ook de volgende kwestie, waarvoor geldt dat het het hof niet duidelijk is wat appellanten nu met deze kwesties precies aan de orde beogen te stellen.
- Schending van het Handvest van de grondrechten in een concreet geval (als het onderhavige) is, zo bleek hierboven, geen kwestie welke in het kader van deze lopende procedure door het hof aan het Hof van Justitie kan worden voorgelegd. Het Brogan arrest heeft betrekking op strafrecht: zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, is niet duidelijk wat het verband is met de totstandkoming of tenuitvoerlegging van maatregelen van kinderbescherming als hier aan de orde.
- Nog afgezien van hetgeen hierboven is overwogen omtrent het (feitelijk) overbrengen geldt dat de kwestie of in onderhavige zaak sprake is van schending van artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten door het hof niet kan worden voorgelegd.
- De kwestie rondom het inzetten (ook proactief) van opsporings- en vervolgingshandelingen, zoals Europese arrestatiebevelen, behoeft geen behandeling nu naar het oordeel van het hof aan de beschikkingen van 25 november en 14 december 2011 geen gebreken kleven zoals door appellanten gesteld, zodat hetgeen ter uitvoering daarvan heeft plaatsgevonden zondermeer rechtmatig is (geweest). Dat anderszins sprake is geweest van onrechtmatig handelen leest het hof niet.
- Ten aanzien van het laatste punt is het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt niet duidelijk wat appellanten precies met deze vraag beogen, zeker nu daaraan geen conclusie wordt verbonden en het hof constateert dat een met dit punt overeenstemmende vordering van de zijde van appellanten ontbreekt.