ECLI:NL:HR:2018:917

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2018
Publicatiedatum
14 juni 2018
Zaaknummer
17/01543
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 430 RvArt. 28 Brussel II-bisArt. 6 EVRMArt. 8 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep ouders tegen teruggeleiding kinderen uit buitenland

In deze zaak hebben ouders beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de teruggeleiding van hun onder toezicht gestelde kinderen uit het buitenland naar Nederland werd bevestigd. De kinderen waren uit huis geplaatst en meegenomen naar het buitenland door de ouders. De ouders stelden dat de Staat en Bureau Jeugdzorg onrechtmatig hadden gehandeld bij de teruggeleiding.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak, waaronder het vonnis van de rechtbank Den Haag en het arrest van het gerechtshof. De klachten van de ouders in cassatie betreffen onder meer procesrechtelijke aspecten zoals betekening en toepasselijkheid van internationale regelgeving zoals art. 28 Brussel Pro II-bis en de artikelen 6 en 8 EVRM.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot cassatie, omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen. De ouders worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, met gespecificeerde bedragen voor verschotten en salaris aan de zijde van de Staat en Bureau Jeugdzorg.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

15 juni 2018
Eerste Kamer
17/01543
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats], Duitsland,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. Y.E.J. Geradts,
t e g e n
1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen,
2. STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de ouders, de Staat en BJZ.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/424946/HA ZA 12-967 van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2013;
b. het arrest in de zaak 200.130.141/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de ouders beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat en BJZ hebben ieder afzonderlijk geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de ouders heeft bij brief van 6 april 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de ouders in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris en aan de zijde van BJZ begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president G. de Groot op
15 juni 2018.