Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats], Duitsland,
zetelende te Den Haag,
gevestigd te Groningen,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 juni 2018.
Hoge Raad
In deze zaak hebben ouders beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de teruggeleiding van hun onder toezicht gestelde kinderen uit het buitenland naar Nederland werd bevestigd. De kinderen waren uit huis geplaatst en meegenomen naar het buitenland door de ouders. De ouders stelden dat de Staat en Bureau Jeugdzorg onrechtmatig hadden gehandeld bij de teruggeleiding.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak, waaronder het vonnis van de rechtbank Den Haag en het arrest van het gerechtshof. De klachten van de ouders in cassatie betreffen onder meer procesrechtelijke aspecten zoals betekening en toepasselijkheid van internationale regelgeving zoals art. 28 Brussel Pro II-bis en de artikelen 6 en 8 EVRM.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot cassatie, omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen. De ouders worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, met gespecificeerde bedragen voor verschotten en salaris aan de zijde van de Staat en Bureau Jeugdzorg.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.