ECLI:NL:GHDHA:2016:3524

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 november 2016
Publicatiedatum
29 november 2016
Zaaknummer
22-004222-15
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerij en oplegging betalingsverplichting

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de politierechter vernietigd en het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €15.317,51. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal.

Het hof baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een BOOM-rapport en de aangetroffen hennepkwekerij met 212 planten, waarbij een gemiddelde opbrengst van 25,7 gram per plant en een verkoopprijs van €3.280 per kilo hennep werd gehanteerd. Kosten zoals afschrijving, stekken, variabele kosten en elektriciteit werden in mindering gebracht, maar kosten voor ontmanteling niet.

De veroordeelde voerde een draagkrachtverweer, maar het hof achtte onvoldoende aannemelijk dat hij in de toekomst geen draagkracht zou hebben. Ook werd geoordeeld dat een nog te betalen inkomstenbelasting en boete aan de Belastingdienst niet in mindering komen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof legde de betalingsverplichting aan de veroordeelde op en bevestigde het bedrag van €15.317,51.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €15.317,51 en legt de betalingsverplichting aan de veroordeelde op.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004222-15 PO
Parketnummer: 10-232410-14
Datum uitspraak: 8 november 2016
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 23 september 2015 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1985,
[adres].
Procesgang in de strafzaak
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 20 januari 2015 is de veroordeelde ter zake van het in zijn strafzaak onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:
1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
3: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking,
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Procesgang in de ontnemingszaak
De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 september 2015 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 15.317,47 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De veroordeelde heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 17.641,- en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Dit bedrag heeft de officier van justitie in zijn requisitoir verminderd met een bedrag van € 586,- tot een bedrag van € 17.055,-.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewijsvoering
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terecht-zitting in hoger beroep komt naar voren dat de veroordeelde uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het BOOM-rapport van 1 november 2010.
Het hof acht het aannemelijk dat er één keer eerder, voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode, is geoogst en baseert zich voor dat oordeel op het feit dat er lege en aangebroken flessen en jerrycans met voedings-middelen aanwezig waren in de woning. Het hof merkt daarbij op dat voedingsmiddelen die men bij de grow shop koopt, in beginsel in een volle fles zitten en niet in een halfvolle fles. Verder was er sprake van waarneembare vervuiling van het filterdoek van de koolstoffilters.
Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de veroordeelde wel een verklaring heeft gegegeven voor het aantreffen van de spullen, maar op geen enkele wijze door middel van bonnetjes, namen, afschriften etc. heeft onderbouwd dat hij de spullen tweedehands via marktplaats zou hebben gekocht.
Opbrengst
Het hof zal uitgaan van een gemiddelde opbrengst van 25,7 gram hennep per plant. Op de aangetroffen kweeklocatie werden 212 planten aangetroffen. Hieruit volgt dat de oogst 5.448 gram hennep heeft opgeleverd (25,7 gram x 212 planten). Het hof zal uitgaan van de gemiddelde verkoopprijs van € 3.280,- per kilo hennep.
Kosten
Afschrijvingskosten (BOOM) € 200,-
Hennepstekken 212 x € 5,- = € 1.060,-
Variabele kosten 212 x € 3,33 = € 705,96
Elektriciteitskosten € 585,97
(aan Stedin voldaan)
__________
Totaal € 2.551,93
De kosten voor de ontmanteling van de kwekerij komen niet voor aftrek in aanmerking.
De veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij van de Belastingdienst bericht heeft gehad dat de opbrengst van de hennepkwekerij in 2014 als inkomsten uit overig werk zullen worden aangemerkt en dat de inspecteur voornemens is af te wijken van de aangifte als gedaan door de veroordeelde. Dit houdt blijkens de overgelegde brief van 6 oktober 2016 van de Belasting-dienst in dat de veroordeelde alsnog inkomstenbelasting zal dienen te betalen over een bedrag van € 19.424,-. Daarnaast zal de veroordeelde een zogenaamde vergrijp-boete aan de Belastingdienst dienen te betalen, waarvan de hoogte nog niet vastgesteld is.
Het hof is van oordeel dat een eventueel nog te betalen bedrag aan inkomstenbelasting niet in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De aanslag over 2014 is immers nog niet definitief en het bedrag is door de veroordeelde (nog) niet betaald. Daarnaast overweegt het hof dat mocht de belastingdienst daadwerkelijk overgaan tot het aanpassen van de aangifte, de veroordeelde zich met de belasting-dienst zal moeten verstaan omtrent het (alsdan) vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en de opgelegde betalingsverplichting in het kader van de onderhavige procedure teneinde dit bedrag van zijn inkomen af te trekken en zo “dubbele” ontneming, namelijk zowel via de strafrechtelijke als de fiscaalrechtelijke weg, te voorkomen.
Het boetebedrag, dat de veroordeelde aan de Belasting-dienst zal moet betalen, komt niet voor aftrek in aanmerking, omdat dit niet in directe relatie staat tot de voltooiing van het delict.
Berekening
Het voorgaande leidt tot de volgende berekening:
Opbrengst (5.448 gram x € 3.280,- per kilogram): € 17.869,44
Totale kosten: € 2.551,93
Het met de hennepkwekerij van de veroordeelde weder-rechtelijk verkregen voordeel wordt derhalve geschat op
€ 17.869,44 - € 2.551,93 = € 15.317,51.
Vaststelling van de betalingsverplichting
Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 15.317,51.
Door en namens de veroordeelde is een draagkrachtverweer gevoerd, op gronden als omschreven in de pleitnota van de raadsman.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Derhalve is er geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag op een lager bedrag vast te stellen. Het hof zal dan ook de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrech-telijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
15.317,51 (vijftienduizend driehonderdzeventien euro en eenenvijftig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 15.317,51 (vijftienduizend driehonderdzeventien euro en eenenvijftig cent).
Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering,
mr. C.J. van der Wilt en mr. J. Candido, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2016.