De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag inzake kinderalimentatie en partneralimentatie na echtscheiding. Partijen zijn gehuwd geweest en hebben een minderjarige die bij de vrouw in Egypte verblijft. De vrouw betwistte de vastgestelde kinderalimentatie en verzocht tevens om partneralimentatie op grond van het Egyptische mut’a recht.
Het hof heeft het verzoek tot kinderalimentatie beoordeeld en geoordeeld dat het bedrag van €95 per maand passend is, mede gelet op het verschil in levensstandaard tussen Nederland en Egypte en de overige onderhoudsverplichtingen van de man. Het verzoek tot partneralimentatie is afgewezen omdat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij recht heeft op een toelage volgens het Egyptische recht, mede omdat zij zelf het verzoek tot echtscheiding in Nederland heeft ingediend en de man heeft betwist onderhoudsplichtig te zijn.
De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep van de vrouw af.