ECLI:NL:GHDHA:2016:3751

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 november 2016
Publicatiedatum
16 december 2016
Zaaknummer
200.191.370/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot contact- en gebiedsverbod na echtscheiding en huiselijk geweld

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter die haar verzoek tot een contact- en gebiedsverbod tegen haar ex-man heeft afgewezen. Partijen zijn gescheiden en hebben drie minderjarige kinderen. De man is eerder veroordeeld voor poging tot doodslag op de vrouw en heeft een straf uitgezeten.

De vrouw stelde dat de man zich recentelijk dreigend had uitgelaten en dat de veiligheid van haar en de kinderen niet anders kon worden gewaarborgd dan door het opleggen van de verboden. De man ontkende bedreigingen en gaf aan het vertrouwen te willen herstellen. Het hof nam de feiten van de voorzieningenrechter over, die oordeelde dat er onvoldoende aanleiding was voor de gevorderde verboden.

Het hof stelde vast dat de vrouw geen nadere onderbouwing had geleverd en dat sinds 2013 geen contact was gezocht door de man met de vrouw of kinderen, behalve via de jeugdbeschermer. De voorzieningenrechter had terecht geoordeeld dat ingrijpende maatregelen alleen kunnen worden opgelegd als de persoonlijke vrijheid van de vrouw anders niet kan worden beschermd.

Daarom werd het bestreden vonnis bekrachtigd en het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het hof heeft het verzoek tot contact- en gebiedsverbod afgewezen en het bestreden vonnis bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie
Zaaknummer : 200.191.370/01
Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/506804/KG ZA 16/293

arrest d.d. 8 november 2016 (bij vervroeging)

inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.A.M. Koorn-Harkema te Leiden,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.G. Ouwejan te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht.

Het geding

Bij exploot van 13 mei 2016 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 15 april 2016, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.
De vrouw heeft ter rolzitting van 19 juli 2016 een memorie van grieven ingediend. Deze bevat drie grieven en daarbij zijn 9 producties overgelegd.
De man heeft ter rolzitting van 16 augustus 2016 een memorie van antwoord ingediend. Daarbij is 1 productie overgelegd.
De vrouw heeft haar procesdossier overgelegd en vonnis gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals de voorzieningenrechter deze onder ‘2’ in het bestreden vonnis heeft vastgesteld is geen grief gericht zodat het hof (mede) van deze feiten zal uitgaan.
2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw, strekkende tot het opleggen van een gebiedsverbod aan de man voor Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Warmond en Zoeterwoude en strekkende tot een bevel aan de man om zich te onthouden van het op enigerlei wijze opnemen van contact met de vrouw en de kinderen van partijen, afgewezen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.
3. De vrouw vordert in hoger beroep dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat het hof aan de man een contact- en gebiedsverbod zal opleggen.
4. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
5. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen zijn ex-echtelieden, zij zijn [in] 2013 gescheiden. Zij hebben samen drie thans nog minderjarige kinderen. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking de vrouw belast met het eenhoofdig gezag en heeft het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen. Ten tijde van de echtscheidingsprocedure stonden de minderjarigen onder toezicht van een jeugdbeschermingsinstelling. De man is in 2012 gedetineerd en is veroordeeld voor een poging tot doodslag op de vrouw. Sedert maart 2015 is hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld en zijn straf is geëindigd in mei 2016. De minderjarigen zijn door het huiselijk geweld in het verleden getraumatiseerd en hebben hiervoor behandeling ondergaan.
6. Het hof zal de grieven van de vrouw gezamenlijk behandelen. Deze komen er alle op neer dat de vrouw meent dat de voorzieningenrechter ten onrechte onvoldoende grond aanwezig heeft geoordeeld voor het opleggen van de gevorderde verboden. De vrouw stelt dat de in de kort gedingdagvaarding vermelde bedreigingen zeer kort voor het dagvaarden in kort geding hebben plaatsgevonden. Inmiddels heeft de man een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling ingediend bij de rechtbank Den Haag. De man heeft zich dreigend geuit naar de gezinsbeschermster in juli 2016 toen hem te verstaan werd gegeven dat hij niet in contact kon komen met de oudste minderjarige. De man geeft ten overstaan van de rechter sociaal wenselijke antwoorden maar denkt er zelf heel anders over. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter belangrijk geacht dat de man al ongeveer een jaar op voorwaarden vrij is en er in die periode niets is gebeurd. De man had namelijk tot mei 2016 een enkelband waardoor zijn actieradius beperkt was. De vrouw is nog altijd aangesloten op het Aware alarmsysteem. De gezinsbeschermster is er alles aan gelegen om de veiligheid van de vrouw en de kinderen te waarborgen. Daarom zal de vrouw nog een schriftelijke beantwoording door de gezinsbeschermster van een aantal vragen die de vrouw haar heeft gesteld in het geding brengen, zodat de man zich daartegen kan verweren.
7. De man stelt dat hij de vrouw en de kinderen sinds 2013 op geen enkele wijze meer heeft benaderd. De man heeft zelf verzocht aan de hulpverlening om een opbouw in het contact met de kinderen omdat een onaangekondigde confrontatie niet goed voor hen zal zijn. De man ontkent de gezinsbeschermster bedreigd te hebben, al was hij het niet eens met haar inhoudelijke beoordeling van de mogelijkheid tot contact door de man met de kinderen. De beweringen van de vrouw zijn op niets gebaseerd en zijn grievend. De man beseft dat hij een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd en dat het vertrouwen van de vrouw en de kinderen in hem hierdoor ernstig is beschadigd. De man zal er alles aan doen om dit vertrouwen te herstellen.
8. Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter op juiste gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niets naar voren gekomen, laat staan onderbouwd, dat tot een ander oordeel moet leiden. Zoals de voorzieningenrechter terecht overweegt is voor toewijzing van ingrijpende maatregelen als een straat- en contactverbod slechts plaats wanneer de veiligstelling van de persoonlijke vrijheid van de vrouw tegen inbreuken daarop door de man op geen andere wijze te bereiken is. Weliswaar stelt de vrouw nu dat de man zich zeer kort voor het dagvaarden in eerste aanleg dreigend jegens de vrouw zou hebben uitgelaten tegenover de gezinsbeschermster, maar de man ontkent dat; hij stelt alleen zijn ongenoegen te hebben geuit. De vrouw heeft in hoger beroep geen nadere onderbouwing gegeven van haar stellingen. De vrouw heeft aangekondigd nog een schriftelijk stuk over te leggen met een beantwoording van vragen door de gezinsbeschermster maar zij heeft dit nagelaten. Gesteld noch gebleken is dat de man sinds 2013, althans in de periode gelegen voor en na het beëindigen van zijn straf, contact heeft gezocht met de vrouw dan wel met de kinderen. De vrouw heeft deze stelling van de man niet betwist. Contacten hebben kennelijk alleen met de jeugdbeschermer plaatsgevonden; niet is komen vast te staan dat daaruit een noodzaak voortvloeit om de gevorderde verboden op te leggen.
9. Dit betekent dat de grieven van de vrouw worden gepasseerd en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.N. Labohm en J.M. van Baardewijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2016 in aanwezigheid van de griffier.