In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard voor zover het ging om de beoordeling van het verloop van administratieve beroepsprocedures tegen kwijtscheldingsverzoeken van gemeentelijke belastingen. Daarnaast is de ontvankelijkheid van de bezwaren tegen invorderingskosten en de toepassing van de redelijke termijn bij de procedure aan de orde.
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de kosten van betekeningskosten bij dwangbevelen voor afvalstoffenheffing over de jaren 2008-2010. Na niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren door de invorderingsambtenaar en rechtbank, stelde belanghebbende beroep in cassatie. De Hoge Raad vernietigde het verzet en bepaalde dat de rechtbank het onderzoek moest voortzetten. De rechtbank verklaarde de bezwaren ontvankelijk, vernietigde de uitspraken op bezwaar en stelde zich onbevoegd voor zover het ging om beoordeling van het administratieve beroepsproces.
Het Hof bevestigt dat de rechtbank terecht onbevoegd was voor de beoordeling van het verloop van administratieve beroepsprocedures, omdat alleen de civiele rechter bevoegd is over de inhoud en totstandkoming van kwijtscheldingsbeschikkingen te oordelen. De rechtbank mocht zelf in de zaak voorzien en de invorderingskosten zijn terecht opgelegd conform de wettelijke bepalingen. De overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar leidt tot een immateriële schadevergoeding van in totaal € 2.000, waarvan € 500 door de invorderingsambtenaar en € 1.500 door de Staat wordt betaald. Het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de invorderingsambtenaar worden ongegrond verklaard.