ECLI:NL:HR:1996:AA1817
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid kosten invordering bij dadelijk invorderbare aanslag zonder betaalmogelijkheid
De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1988 die op 15 juni 1992 dadelijk en ineens invorderbaar werd gesteld vanwege vrees voor verduistering. Bij een huiszoeking werd de aanslag aan de echtgenote van belanghebbende betekend, waarbij ook kosten van betekening en vervolging in rekening werden gebracht.
Belanghebbende betwistte deze kosten, waarop het Hof Amsterdam de kosten van vervolging tot nihil verminderde. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatieberoep in. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgeving en jurisprudentie vereisen dat een belastingschuldige eerst in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn belastingschuld te voldoen voordat kosten van invordering in rekening kunnen worden gebracht.
In dit geval was belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld om de aanslag te betalen, zodat het in rekening brengen van kosten onaanvaardbaar was. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en wijst het beroep af. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en minimale belangenaantasting bij invordering.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat kosten van vervolging niet in rekening mogen worden gebracht zonder dat de belastingplichtige in de gelegenheid is gesteld de aanslag te voldoen.