ECLI:NL:GHDHA:2016:4300
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot gijzeling wegens achterstallige kinder- en partneralimentatie na belangenafweging
De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter waarin verlof was verleend om lijfsdwang toe te passen tegen de man wegens een achterstand in kinder- en partneralimentatie. De man was in gebreke gebleven met betalingen gedurende ongeveer een jaar, hoewel hij daarvoor wel betalingen had verricht en extra aflossingen deed.
Het hof overwoog dat lijfsdwang een ultimum remedium is en alleen toegepast mag worden als andere middelen onvoldoende zijn en het belang van de schuldeiser dit rechtvaardigt. Uit de stukken bleek dat de man niet over voldoende vermogen beschikt om de achterstand ineens te voldoen, maar wel maandelijks de verschuldigde alimentatie betaalt en extra aflost.
Het hof stelde vast dat het toepassen van lijfsdwang disproportioneel zou zijn zolang de man de maandelijkse alimentatie betaalt. Ook is het in het belang van de vrouw dat de man zijn baan behoudt. De vrouw had geweigerd een betalingsregeling te treffen. Het hof vernietigde het bestreden vonnis en wees de vordering van de vrouw af, met compensatie van de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot toepassing van lijfsdwang wegens alimentatieachterstand wordt afgewezen omdat de man niet in staat is de achterstand ineens te voldoen en het toepassen van lijfsdwang disproportioneel is.