Uitspraak
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , (hierna ook: [minderjarige 1] ) en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , (hierna ook: [minderjarige 2] ),
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kinderen, vanwege vermoedens van het syndroom van Münchhausen by Proxy. De moeder betwist de noodzaak van uithuisplaatsing en stelt dat hulpverlening in de thuissituatie mogelijk is. De vader, de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming steunen de uithuisplaatsing vanwege het patroon van ziekte en de negatieve ontwikkeling van de kinderen.
Tijdens de zitting heeft het hof vastgesteld dat de moeder niet voldoende meewerkt aan hulpverlening en dat de situatie van de kinderen verslechterd is sinds de uithuisplaatsing. De lichamelijke klachten worden mogelijk in stand gehouden door de moeder, waardoor het patroon van ziekte niet doorbroken kan worden binnen de thuissituatie. Het hof concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarigen.
Het hof wijst het incidenteel hoger beroep van de vader af, bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het schorsingsverzoek van de moeder af. De uithuisplaatsing wordt gehandhaafd voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Uitkomst: De uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt bekrachtigd en gehandhaafd in het belang van hun verzorging en opvoeding.