ECLI:NL:GHDHA:2016:680
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingheffing crisisheffing hoog loon 2013 en 2014 niet in strijd met wet en EVRM
Belanghebbende, een groothandel in chemische grondstoffen, betaalde in 2014 een crisisheffing over het hoge loon van enkele werknemers. Zij maakte bezwaar tegen deze heffing en stelde dat de regeling in artikel 32bd Wet LB 1964 onrechtmatig was vanwege strijd met nationale wetgeving en internationale verdragen, met name vanwege de terugwerkende kracht en ongelijke behandeling.
De rechtbank wees het beroep af en het Gerechtshof bevestigde deze uitspraak. Het hof oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de crisisheffing een gerechtvaardigde maatregel is om begrotingstekorten te bestrijden. De terugwerkende kracht en de verlenging van de heffing tot 2014 zijn niet in strijd met het EVRM, omdat er een 'fair balance' is en geen buitensporige last voor de belastingplichtige.
Ook de beweringen over discriminatie en strijd met het gelijkheidsbeginsel werden verworpen. De Hoge Raad had eerder geoordeeld dat de regeling niet in strijd is met de wet of het EVRM. Het hof bevestigde dat de crisisheffing niet discrimineert en dat de gekozen heffingsgrondslag objectief en praktisch is.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag op 16 maart 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de crisisheffing hoog loon wordt bevestigd.