ECLI:NL:GHDHA:2016:723
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- C.J. Frikkee
- M.C.M. van Dijk
- W.E. Merens
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep tegen afwijzing schuldsaneringsregeling
Appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling, waarbij een totale schuldenlast van €87.150,63 werd vastgesteld. De rechtbank wees het verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel te goeder trouw was en in staat om aan de verplichtingen te voldoen, maar gaf geen concrete gronden aan ter onderbouwing van zijn standpunt. Het hof oordeelde dat het beroepschrift niet voldeed aan de vereisten van duidelijke omschrijving en motivering zoals voorgeschreven in artikel 359 juncto Pro 278 Rv.
Het hof overwoog dat de schulden aan het CJIB, de Belastingdienst en telefoonmaatschappijen niet te goeder trouw waren ontstaan, mede vanwege overbesteding en verkeersboetes. Er waren geen feiten of omstandigheden gesteld die tot vernietiging van het vonnis konden leiden.
Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 9 december 2015 van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot schuldsaneringsregeling.