De zaak betreft een geschil tussen de Maten van een accountantsmaatschap en SKM over de betaling van facilitaire kosten en een overboeking van €300.000 van SKM naar de Maatschap. De Maten waren voormalige maten binnen de Maatschap en hadden hun aandelen in SKM aangeboden aan L&C Rotterdam, maar de overdracht was niet voltooid. Vanaf 2010 factureerde L&C Facilitair, een entiteit binnen de Maatschap, facilitaire diensten forfaitair aan SKM, wat tot discussie leidde.
Op 5 december 2011 werd zonder overleg een bedrag van €300.000 van SKM's rekening overgeboekt naar de Maatschap. SKM betwistte deze betaling en vorderde terugbetaling wegens onverschuldigde betaling. De rechtbank kende SKM grotendeels gelijk, behalve de handelsrente. In hoger beroep bevestigde het hof dat de betaling onverschuldigd was, mede omdat de overboeking was gedaan door [A], die conflicterende belangen had en handelde zonder instemming van de andere bestuurders.
Het hof verwierp het beroep op verrekening van de Maten omdat de tegenvordering onvoldoende vaststond. Ook oordeelde het hof dat de uittreding van de Maten niet automatisch leidde tot een verplichting voor SKM om het volledige pakket facilitaire diensten forfaitair af te nemen. Het arrest bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de Maten in de kosten van het hoger beroep.