ECLI:NL:GHDHA:2016:907
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over proceskostenveroordeling bij schending hoorplicht in WOZ-zaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning en verzocht om gehoord te worden indien het bezwaar geheel of gedeeltelijk zou worden afgewezen. De heffingsambtenaar stelde een termijn van twee weken om een hoorzitting aan te vragen, maar belanghebbende reageerde niet binnen deze termijn vanwege vakantie. Na afloop van de termijn weigerde de heffingsambtenaar alsnog een hoorzitting te plannen en stelde de uitspraak op bezwaar vast.
De rechtbank oordeelde dat de termijn redelijk was en dat de heffingsambtenaar terecht van de hoorplicht kon afzien, waardoor een proceskostenveroordeling achterwege bleef. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze beslissing en stelde dat de hoorplicht was geschonden.
Het hof oordeelde dat de uitzondering op de hoorplicht niet van toepassing was omdat de gemachtigde van belanghebbende in het bezwaarschrift reeds had verzocht om gehoord te worden en de heffingsambtenaar onduidelijk en te laat reageerde. De hoorplicht was daardoor geschonden. Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de proceskostenveroordeling betrof.
Uitkomst: Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht wegens schending van de hoorplicht.