Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 29 maart 2016
KOZ PRODUCTS B.V.,
ADINCO B.V.,
Het geding
- namens KOZ producties 6 tot en met 8 op 23 december 2015 en een nadere kostenopgave op 13 januari;
- namens Adinco een kostenoverzicht op 6 januari 2016
Beoordeling van het hoger beroep
termapparaatsgerichte leer alleen ziet op andere technische oplossingen of ook op andere vormgevingen binnen dezelfde technische oplossing, deelt voormelde opvatting niet. Als wordt aangevoerd dat er alternatieven zijn, geldt naar het oordeel van het hof het volgende.
uitsluitenddoor een technische functie is bepaald,
reëlealternatieven is in de vormgeving van dezelfde technische oplossing; zo’n alternatief is niet reëel als het slechts zou inhouden:
uitsluitendtechnisch bepaald kenmerk, stellende dat de overkapping in het Gemeenschapsmodel genoeg ruimte laat voor alternatieven waarmee, begrijpt het hof, dezelfde technische functie kan worden verwezenlijkt. Zij heeft in dit verband gesteld dat de overkapping net zo goed bovenop vlak had kunnen aflopen, dat zij een andere dikte, lengte of kleur zou kunnen hebben en anders dan glad aan de bovenzijde (geribbeld of met een structuur) zou kunnen zijn (de eerste alternatieven). Voorts heeft zij gesteld dat hetzelfde effect bereikt zou kunnen worden door het kabelblok aan de onderzijde/binnnenzijde (deels) dicht te maken op de plaats waar het blok op de kabel rust, hetgeen de facto neer komt op het aan de binnenzijde plaatsen/naar binnen schuiven van de overkappingen, zoals ook bij kabelblokken van derden het geval is en zoals het geval is op de als productie 5 bij de memorie van grieven overgelegde “computer-tekeningen” (het tweede alternatief).
extradruk op de overkapping komt te staan als het kabelblok
is gemonteerd, is daartoe onvoldoende, al omdat daarmee niet betwist is dat er druk op de overkapping staat, welke druk bovendien wellicht groter is tijdens het aanbrengen van de kabels. Het hof is derhalve voorshands van oordeel dat de aanhechting op de overkapping door een technische functie bepaald is. KOZ heeft ook hier gesteld dat er een aantal alternatieven is, zodat de aanhechting niet
uitsluitenddoor een technische functie wordt bepaald. De genoemde alternatieven komen er op neer dat de aanhechting(en) anders op de overkapping geplaatst zou(den) kunnen worden (niet verticaal, maar naar buiten, schuin, in een driehoek, gekruist of in elkaar overlopend ) of dat de aansluiting(en) zelf anders zou(den) kunnen worden gevormd (in een boog of dikker). Adinco heeft gemotiveerd betwist dat de aanhechtingen hun technische functie even goed zouden kunnen vervullen als zij anders dan verticaal worden aangebracht, omdat tegengestelde krachten sterker zijn, hetgeen slechts mogelijk is door verticale plaatsing. Nu hierop door KOZ niet meer is gereageerd gaat het hof daar voorshands van uit. De vervolgens genoemde alternatieven (een andere vormgeving van de aansluiting) zijn geen reële alternatieven, daar zij zijn aan te merken als zinloze toevoegingen als bedoeld in rechtsoverweging 12, onder II, meer in het bijzonder onder IIa (bijvoorbeeld het dikker maken van de aanhechtingen) of als te futiel als bedoeld in rechtsoverweging 12IIb. Dat laatste geldt onder meer ten aanzien van het alternatief om de aanhechtingen rond in een boog te laten aflopen, nu dat bij de kabelblokken van Adinco reeds het geval is en KOZ stelt dat het kabelblok van Adinco eenzelfde algemene indruk maakt. Dit geldt overigens ook voor de (dan ook terecht) niet als alternatief aangevoerde mogelijkheid om drie aanhechtingen in plaats van één aanhechting (zoals in de in hoger beroep nog slechts aan de orde zijnde modellen uit 2005) aan te brengen. Bij pleidooi heeft KOZ immers herhaald dat ervan moet worden uitgegaan dat het verschil tussen één of drie aanhechtingen te minimaal is om bij de gebruiker een andere algemene indruk te creëren. Het bovenstaande brengt mee dat ook de aanhechtingen uitsluitend door een technische functie worden bepaald.
endienen ter ondersteuning van de overkappingen en dat, begrijpt het hof, deze vormgeving met drie op de aangebrachte wijze geplaatste aanhechtingen, vergeleken met andere oplossingen, de meeste druk op de overkappingen kan weerstaan. Tijdens pleidooi heeft zij dit nog gespecificeerd met de stelling dat drie aanhechtingen sterker zijn dan één, waarbij het risico bestaat dat de kanten van de overkapping afbreken.