In hoger beroep heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd en de verdachte vrijgesproken van medeplegen moord op een slachtoffer in Rotterdam op 5 mei 2012. Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende concreet was om de betrokkenheid van de verdachte wettig en overtuigend vast te stellen, mede vanwege het ontbreken van onomstotelijk bewijs dat de door verdachte gehuurde auto nabij de plaats delict was.
Wel acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van goederen en handel in cocaïne in de periode van maart 2012 tot maart 2013 in Rotterdam en Schiedam. De verdachte heeft gedurende ruim elf maanden cocaïne verkocht en vervoerd, wat bijdraagt aan het criminele drugscircuit en maatschappelijke onrust veroorzaakt.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, rekening houdend met zijn eerdere veroordelingen en de ernst van de feiten. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak van het moordfeit. Het hof beval tevens de onttrekking aan het verkeer van diverse inbeslaggenomen wapens en munitie.