Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 mei 2017
[appellant],
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
a. Beloning bewindvoerder € 1449,46;
c. Veroordeling proceskosten € 250,34 + deurwaardersverschotten € 75,46;
d. Lening bij gemeente voor leefgeld € 80,-+ immateriële schade wegens niet tijdig ontvangen leefgeld;
e. Schade dagvaarding Essent € 811,70 + nog nader op te maken schade in verband met lopende procedure;
f. Azivo € 147,07 + immateriële schade naar aanleiding van melding als wanbetaler;
g. Ziggo € 776,-;
h. Immateriële schade wegens 3 maanden lang leven zonder water;
i. Immateriële schade wegens huidklachten waar Van Laat van op de hoogte was en niet tijdig actie heeft ondernomen waardoor [appellant] meer last kreeg van zijn huidaandoening;
j. Immateriële schade doordat hij zijn kinderen 3 maanden lang niet thuis kon ontvangen;
k. Immateriële schade wegens premiebetalingsachterstand,
zijnde in totaal aan materiële schade een bedrag van € 4979,92, nog te vermeerderen met de wettelijke rente.
Verder heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een nog nader op te maken bedrag van de kosten van de lopende procedure in de zaak van Essent tegen [appellant], en tot betaling van de door de kantonrechter vast te stellen immateriële schade als bedoeld onder h t/m k, alles vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [geïntimeerde] geen verwijt treft dat zij de rekeningen van Dunea niet heeft betaald. [geïntimeerde] heeft er op gewezen, wat [appellant] niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, dat [appellant] hoge schulden had en dat zijn inkomsten (een bijstandsuitkering) onvoldoende waren om alle schuldeisers te betalen. [geïntimeerde] moest hierin noodgedwongen een keuze maken. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om te concluderen dat [geïntimeerde] tekort is geschoten door de facturen van Dunea geen prioriteit te geven. Dat er, zoals [appellant] stelt, altijd een positief saldo op de beheerrekening stond, betekent nog niet dat er dus financiële ruimte over was voor het betalen van schulden of het aanbieden van een betalingsregeling. Toen [appellant] in december 2013 een bedrag van € 1000,- ontving van de woningbouwvereniging voor waterschade, heeft [geïntimeerde] er voor gekozen om met dit bedrag de openstaande huurschuld te betalen. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat zij deze keuze in redelijkheid kon en mocht maken. Weliswaar was op dat moment bekend dat Dunea het water zou afsluiten als er niet betaald zou worden, maar ook de huurschuld was – anders dan [appellant] meent – zeer dringend aangezien de deurwaarder reeds had aangekondigd tot dagvaarden te zullen overgaan als niet zou worden betaald. Het voorkomen van extra kosten in verband met een dreigende ontruimingsprocedure en het afwenden van het niet geringe risico dat [appellant] als gevolg van de huurschuld zijn woning zou verliezen, rechtvaardigden alleszins de beslissing van [geïntimeerde] om de huurschuld voor te laten gaan op de schuld aan Dunea. Daarover hoefde zij niet met [appellant] (of zijn advocaat) te overleggen. Het standpunt van [appellant] dat het met de huurschuld zo’n vaart nog niet liep en dat [geïntimeerde] had kunnen volstaan met het hiervoor aanbieden van een betalingsregeling, zodat de € 1000,- gebruikt had kunnen worden om Dunea te betalen, deelt het hof niet. Dat er ook andere keuzes mogelijk waren, maakt nog niet dat [geïntimeerde] tekort is geschoten door de € 1000,- te gebruiken voor het betalen van de huurschuld. Dat [appellant] als gevolg van de waterafsluiting problemen heeft gekregen in verband met de verzorging van zijn huidklachten en het niet meer thuis kunnen ontvangen van zijn kinderen, is bijzonder vervelend voor hem maar kan [geïntimeerde] in redelijkheid niet worden verweten. Vast staat dat [geïntimeerde] een betalingsregeling heeft aangeboden aan Dunea van € 50,- per maand. Dunea heeft deze betalingsregeling echter niet geaccepteerd, onder meer omdat [appellant] zelf een eerdere betalingsregeling niet was nagekomen.
Voor zover de grief ziet op de vordering van [appellant] sub b, wordt hij verworpen.
Deze vordering (en daarmee de hierop betrekking hebbende klacht in de toelichting op de grief) kan niet slagen. De renteloze lening betreft geen schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van enig handelen van [geïntimeerde]. Ook als juist is dat [appellant] ten onrechte enkele malen geen leefgeld heeft ontvangen, wat [geïntimeerde] overigens betwist, dan is [appellant] door de renteloze lening van de gemeente niet in een financieel ongunstiger situatie geraakt. Als [appellant] geen leefgeld kreeg van [geïntimeerde], bleef dat geld immers op zijn rekening staan. Van dubbele kosten aan leefgeld was dus geen sprake.
Wat betreft de gevorderde vergoeding van immateriële schade verwijst het hof naar hetgeen hieronder in r.o. 14 wordt overwogen en beslist.
Ook deze vordering is terecht afgewezen. Voor zover het gevorderde bedrag achterstallige facturen betreft, is niet in te zien waarom dit schade zou zijn als gevolg van handelen van [geïntimeerde]. Verder dateert de dagvaarding van Essent van 15 april 2015, terwijl [geïntimeerde] slechts tot 8 april 2014 bewindvoerder van [appellant] is geweest. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en waarom de dagvaarding door Essent aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te grieven van de afwijzing van dit deel van zijn vorderingen, faalt de grief.
Het hof wijst ook deze vordering af. De factuur van Azivo ad € 147,07 betreft de door [appellant] verschuldigde eigen bijdrage met betrekking tot zijn zorgkosten. Niet in te zien valt waarom dit schade betreft die door [geïntimeerde] vergoed zou moeten worden.
Beslissing
- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
- bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter voor zover dit de proceskostenveroordeling in eerste aanleg betreft;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 314,- aan griffierecht en € 1.264,- aan salaris advocaat (2 punten tarief I).