Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 9 mei 2017
Stichting Woonstad Rotterdam,
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
7.1 Huurder zal de woning als goed huurder overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte gebruiken. (...)
This letter confirms that as of today our systems indicate, [geïntimeerde] (...), has no active listings or upcoming reservations. The last reservation on the account ended December 6th, 2014."
vierde griefklaagt Woonstad over dit oordeel.
vierde griefhet gelijk aan haar zijde. Ook verhuur via Airbnb valt onder art. 7.4 van de AV 1994. Van twijfel over de betekenis van het beding kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs geen sprake zijn. De klacht, verwoord in de
vijfde grief, dat het ook voor [geïntimeerde] duidelijk moet zijn geweest dat Airbnb onder het verbod viel, is terecht opgeworpen.
eerste griefaangesneden intensiteit van de verhuur. De kantonrechter is uitgegaan van de door [geïntimeerde] erkende 42 verhuurperiodes, welk aantal is gegrond op het aantal afgegeven recensies op de website van Airbnb. De kantonrechter heeft geen gewicht toegekend aan de suggestie van Woonstad dat er vaker verhuurd moet zijn. Volgens Woonstad is het een feit van algemene bekendheid dat niet iedere toerist een recensie schrijft, zodat het werkelijk aantal bezoekers vele malen hoger is. Het aantal van 42 verhuringen is een absoluut minimum.
tweede griefkomt Woonstad op tegen het uitgangspunt van de kantonrechter dat [geïntimeerde] slechts delen van haar woning ter beschikking heeft gesteld. Zij wijst er daarbij op dat het aan [geïntimeerde] is om te bewijzen dat zij in het gehuurde haar hoofdverblijf heeft gehouden. Voorts wijst Woonstad op de recensies waaruit volgt dat meerdere malen vier personen in het driekamerappartement hebben verbleven, zodat het niet anders kan dan dat [geïntimeerde] er dan niet ook nog zelf woonde.
derde griefheeft de kantonrechter ten onrechte een aantal argumenten van Woonstad niet besproken. Woonstad noemt het argument dat sprake is van bedrijfsmatige onderhuur. [geïntimeerde] heeft om geld te verdienen haar sociale huurwoning op commerciële wijze aangeboden. Volgens Woonstad is er ook sprake geweest van overlast. Tot slot heeft de kantonrechter de stelling van Woonstad ten aanzien van de problematiek bij onderverhuur van een sociale woning niet goed verwoord. Woonstad wijst erop dat het gelet op de woningschaarste erg wrang is dat een onderverhuurder zelf het profijt heeft als de verhurende corporatie, rekening houdend met het lage inkomen van de huurder een lagere huurprijs overeenkomt dan de wettelijke maximale huurprijs en deze huurder als onderverhuurder vervolgens een hogere (marktconforme) huurprijs vraagt.
zevende griefaangesneden dat door dit soort verhuur de
kansop overlast voor omwonenden wordt vergroot en dat de verhuurder daarvoor dient te waken. Op zich is juist dat de verhuurder ervoor dient te waken dat aan omwonenden overlast wordt bezorgd. Op grond van de overgelegde e-mail van Airbnb d.d. 5 februari 2015 (productie 7 conclusie van antwoord) gaat het hof er echter vanuit dat de verhuur via Airbnb is beëindigd - zoals [geïntimeerde] stelt - direct na de brief van Woonstad over de onderverhuur, zodat in zoverre slechts sprake is
geweestvan kans op overlast. [geïntimeerde] betwist dat zelfs kans op overlast is geweest, omdat zij als bewoner er het grootste belang bij had dat geen overlast werd veroorzaakt en dat zij de huurders daarop selecteerde.
zesde griefheeft Woonstad er nog bezwaar tegen gemaakt dat de kantonrechter heeft meegewogen dat [geïntimeerde] na de eerste aanzegging van Woonstad haar verhuuractiviteiten heeft gestaakt, omdat een tekortkoming uit het verleden nu eenmaal niet ongedaan kan worden gemaakt. Dat laatste is juist, maar het neemt niet weg dat voor de vraag of de betreffende tekortkoming ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt ook rekening moet worden gehouden met omstandigheden die hebben plaatsgevonden ná de gestelde tekortkoming (zie rechtsoverweging 10).
Beslissing
- verwijst de zaak naar de rol van 20 juni 2017 voor een akte aan de zijde van [geïntimeerde] als bedoeld in rechtsoverweging 28;
- houdt iedere verdere beslissing aan.