Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 24 januari 2017
1. [appellant 1],
2. [appellant 2],
De Staat der Nederlanden
Het geding
De verdere beoordeling (na verwijzing) van het hoger beroep
25 november 2010. Dat hof heeft geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant 1] houder is (geweest) van een rekening bij de KB-Lux. De uitspraak van het hof is in cassatie vernietigd in HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6732, doch uitsluitend ter zake van de boetebeschikkingen. De zaak is in zoverre verwezen naar het gerechtshof Den Haag.
alleinformatie die door [appellanten] moet worden verstrekt als wilsafhankelijk materiaal moet worden beschouwd, reden waarom daaraan voornoemde restrictie werd verbonden. Het hof kwam tot dat oordeel omdat het er vanuit ging dat het hier gaat om “
bescheiden die de Staat zonder medewerking van betrokkenen niet kan verkrijgen en die de Staat onder druk van een op te leggen dwangsom van hen beoogt te verkrijgen.”De Hoge Raad heeft (in 4.4.2) overwogen dat het hof ten onrechte de wils(on)afhankelijkheid heeft verbonden aan het antwoord op de vraag of de gevorderde bescheiden zonder medewerking van de betrokkene kunnen worden verkregen. Het afgeven van bescheiden kan immers nimmer zonder medewerking van de betrokkene plaatsvinden, aldus de Hoge Raad. Niet relevant (en dus ook geen afzonderlijke grond) is derhalve of de betrokkene onder dwang, van bijvoorbeeld een dwangsom, moet meewerken aan het verstrekken van gegevens omdat (anders dan het Amsterdamse hof meende) de vraag of materiaal wilsafhankelijk is, uitsluitend afhangt van de vraag of het materiaal in fysieke zin bestaat onafhankelijk van de wil van de betrokkene. Nu de Hoge Raad de uitleg van het hof met betrekking tot wilsafhankelijk materiaal heeft vernietigd, ziet die vernietiging ook op de overwegingen die daaraan ten grondslag lagen. Die overwegingen zien echter alleen op de restrictie en niet op de veroordeling tot het doen verstrekken van gegevens en bescheiden en evenmin op de dwangsomveroordeling zodat deze – als in cassatie niet of tevergeefs bestreden – onaantastbaar zijn geworden. Het hof merkt daarbij nog op dat door het verbinden van een andere restrictie aan de veroordelingen onder 1) tot en met 3) de gedragingen die door die veroordelingen worden bestreken ook niet veranderen.
Beslissing
rechtdoende na verwijzing door de Hoge Raad: