Uitspraak
uitspraak van 17 mei 2017
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
Naheffingsaanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg
Loop van het geding in hoger beroep
Vaststaande feiten
“3.2 Omschrijving bedrijfsactiviteiten
.
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende exploiteert een onderneming met twee vestigingen waar sekswerkers werkzaam zijn. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag loonheffingen over 2008 op, omdat zij oordeelde dat sprake was van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de sekswerkers. Belanghebbende betwistte dit en voerde aan dat de sekswerkers zelfstandig waren en dat zij slechts kamers verhuurde. Tevens stelde zij dat zij onterecht werd benadeeld door een begunstigend beleid van de Belastingdienst jegens exploitanten die kozen voor het opting-in systeem.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een dienstbetrekking, omdat de exploitant een gezagsverhouding uitoefende, de arbeid persoonlijk moest worden verricht en er loon werd betaald. De huis- en gedragsregels, de controle op identiteit en leeftijd, de vastgestelde prijzen en het toezicht wezen op een werkgeversrol. Het beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel werd verworpen wegens onvoldoende bewijs.
Het Hof bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het voegt toe dat de huisregels en de feitelijke bedrijfsvoering een duidelijke gezagsverhouding aantonen. De sekswerkers hebben geen invloed op de prijs en kunnen zich niet vrij laten vervangen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situaties niet feitelijk en juridisch gelijk zijn; exploitanten die kozen voor opting-in zijn niet vergelijkbaar met belanghebbende. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de sekswerkers in dienstbetrekking staan tot belanghebbende en wijst het hoger beroep af.