Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 4 juli 2017
[appellant] ,
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
ende gevolgen daarvan voor [appellant] .
Gerechtshof Den Haag
Appellant, die in voorlopige hechtenis was geplaatst in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) en later levenslang werd veroordeeld, vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatig verblijf in de EBI. De Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) kende hem al een forfaitaire vergoeding toe voor het onrechtmatige verblijf.
De rechtbank wees de aanvullende vordering af omdat appellant geen concreet geestelijk letsel of andere persoonsaantasting had aangetoond. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat voor immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 BW Pro geestelijk letsel als een erkend psychiatrisch ziektebeeld moet worden vastgesteld, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie.
Hoewel het verblijf in de EBI een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer betekent, is niet gebleken dat appellant daardoor zodanig is aangetast dat een hogere schadevergoeding gerechtvaardigd is. De grief faalt en het vonnis wordt bekrachtigd, met een kostenveroordeling ten laste van appellant.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding af wegens onvoldoende bewijs van geestelijk letsel.