Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 juli 2017
[naam 1] ,
[naam 2] ,
Het geding
mr. J. Abraha, advocaat te Rotterdam en [geïntimeerde] door mr. Wiesmeier-van der Brugge voornoemd. De advocaten hebben zich daarbij bediend van overgelegde pleitnotities.
Beoordeling van het hoger beroep
grief Ibetoogt [appellant] dat [geïntimeerde] de gefactureerde werkzaamheden niet heeft verricht. Met
grief IIstelt [appellant] dat in het door [geïntimeerde] verstrekte overzicht van facturen en betalingen (productie 8 bij inleidende dagvaarding) de betaling van de geldlening van € 5.000,-- niet is verwerkt. Dat bedrag dient alsnog op het gevorderde bedrag in mindering te worden gebracht. Met
grief IIIbetoogt [appellant] dat [geïntimeerde] dient te bewijzen dat alle door hem gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd. De facturen van [geïntimeerde] zijn te algemeen geformuleerd. Met
grief IVbetoogt [appellant] dat hij op grond van art. 10 van Pro de aannemingsovereenkomst gerechtigd was om derden in te schakelen om herstelwerkzaamheden te verrichten en de kosten daarvan bij [geïntimeerde] in rekening te brengen. Uit het opleveronderzoek en het Snagstream rapport blijkt zeer gedetailleerd, per onderdeel welke werkzaamheden op welke wijze hersteld moesten worden. Met
grief Vbetoogt [appellant] dat de planning van het bouwproject een bepaalde termijn is in de zin van art. 6:83 lid 1 BW Pro, zodat verzuim van rechtswege intreedt door het verstrijken van de termijn. [geïntimeerde] liep ver achter op de planning en aanmanen zou overigens ook nutteloos zijn. Het stellen van de eis van een ingebrekestelling is volgens [appellant] in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Met
grief VIbetoogt [appellant] dat hij vorderingen heeft van € 9.166,16 en € 11.077,38 en dat deze met het gevorderde bedrag moeten worden verrekend. Met
grief VIIbetoogt [appellant] dat hij geen wettelijke handelsrente verschuldigd is omdat de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de facturen niet toewijsbaar is. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
“9. Alleen facturen naar rato werkzaamheden worden in behandeling genomen.”In de (aanvullende)
“Overeenkomst factuur/ [project] te [plaats] ”van 24 oktober 2014 is onder meer bepaald dat [geïntimeerde] wekelijks voorschotten aan [appellant] factureert en dat indien [geïntimeerde] de week daarop klaar is met (bijvoorbeeld) een verdieping hij een eindfactuur kan maken. [geïntimeerde] stelt dat is afgesproken dat hij mocht factureren als het werk op de verdieping af was in de betreffende week. In de praktijk ging het dan zo dat [appellant] samen met [geïntimeerde] aan het eind van de week het werk van [geïntimeerde] controleerde, waarna [geïntimeerde] zijn factuur aan [appellant] stuurde. Dit is steeds vanaf het begin (week 30 van 2014) zo gebeurd (memorie van antwoord sub 7 en 8). Dit sluit ook aan bij wat [appellant] daarover heeft verklaard (proces-verbaal comparitie van partijen eerste aanleg):
“Er moest per week worden gefactureerd. Ondanks het verzoek aan eiser om elke week te factureren ontving gedaagde niet elke week een factuur”, waaruit [appellant] afleidt dat [geïntimeerde] alleen facturen kon indienen als daartegenover werkzaamheden waren verricht (memorie van grieven sub 10). [geïntimeerde] heeft dat niet weersproken en stelt (in een iets andere context) ook dat hij louter het uitgevoerde werk heeft gefactureerd (memorie van antwoord sub 39 en 40).
“Gedaagde heeft telkens de facturen bekeken, aangepast en betaald. Op een gegeven moment is gedaagde daarmee gestopt.” Naar het oordeel van het hof zijn deze facturen dus door [appellant] geaccordeerd en moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] het gefactureerde werk in de betreffende weken (deugdelijk) heeft afgerond. Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat de facturen door hem aan [geïntimeerde] zijn teruggestuurd óók omdat er door [geïntimeerde] te veel was gefactureerd (pleitnota sub 17). [appellant] heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd.
€ 8.494,79 (waarvan € 1.326,-- als G-deel).
Het hof:
- verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 718,-- aan griffierecht en € 2.682,-- (tarief II, 3 punten) aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;