Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer hoofdzaak : 200.194.538/01 NOT
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen drie raadsheren die betrokken zijn bij de civiele procedure tussen verzoeker en een notaris. Het verzoek betrof onder meer bezwaren tegen de beslissing van de voorzitter om bepaalde stukken, waaronder e-mails en brieven, buiten beschouwing te laten wegens te late indiening en het ontbreken van vertalingen van Spaanse documenten.
De wrakingskamer van het hof Den Haag heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld. De raadsheren hadden hun beslissingen genomen conform het procesreglement en verzoeker was in de gelegenheid gesteld zijn standpunten mondeling toe te lichten, maar verscheen niet op de zitting. De kamer oordeelde dat geen sprake was van vooringenomenheid of andere uitzonderlijke omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechters in twijfel zouden trekken.
De wrakingskamer concludeerde dat de beslissingen omtrent de toelating van stukken juist waren en dat het niet vooraf eisen van vertalingen van buitenlandse stukken niet wijst op vooringenomenheid. Ook de omvang van de ingediende stukken vormde geen grond voor wraking. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen en de beslissing is op 27 januari 2017 uitgesproken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor vooringenomenheid.