Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
1.[appellant],
[appellante],
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele procedure vordert appellanten schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van een vonnis waarbij zij zijn veroordeeld tot betaling van een geldsom aan geïntimeerde. De geldleningsovereenkomst tussen partijen was mondeling gesloten en later schriftelijk vastgelegd.
Het hof overweegt dat bij een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 351 Rv Pro de belangen van partijen moeten worden afgewogen. Hierbij geldt de presumption dat de schuldeiser belang heeft bij onmiddellijke uitvoering, tenzij de schuldenaar kan aantonen dat het belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt of dat het vonnis klaarblijkelijk op een misslag berust.
Appellanten hebben geen concrete belangen aangevoerd noch gesteld dat het vonnis op een misslag berust. Het hof weegt daarom het belang van geïntimeerde bij voldoening aan het vonnis zwaarder dan het belang van appellanten bij uitstel. De vordering tot schorsing wordt afgewezen en appellanten worden veroordeeld in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden tot de comparitie.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen en appellanten worden veroordeeld in de kosten van het incident.