Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die op een voertuig was aangebracht. De heffingsambtenaar stelde de naheffingsaanslag op naam van een BV, terwijl belanghebbende zich als feitelijk parkeerder opwierp. Na het uitblijven van een beslissing op bezwaar stelde belanghebbende de heffingsambtenaar bij brief van 18 januari 2016 in gebreke. Vervolgens stelde belanghebbende op 1 juni 2016 beroep in bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar en het uitblijven van een dwangsombeschikking.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroep onredelijk laat was ingesteld, ruim vijf maanden na het verstrijken van de beslistermijn. In hoger beroep stond centraal of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht was. Het hof oordeelde dat belanghebbende het bezwaar namens zichzelf en niet namens de BV had ingediend en dat de heffingsambtenaar niet tijdig op het bezwaar had beslist. De ingebrekestelling was door de heffingsambtenaar ontvangen, waardoor het beroep vanaf 3 februari 2016 kon worden ingesteld.
Het hof stelde echter vast dat het beroep pas op 1 juni 2016 werd ingesteld, wat ruim vier maanden na het moment was waarop beroep mogelijk was. Dit was onredelijk laat, zonder dat omstandigheden dit rechtvaardigden. Het hof bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank en wees proceskostenveroordeling af.