Op 19 september 2003 deed [B] B.V. aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van spaarlampen. Na controle bleek dat antidumpingrechten verschuldigd waren. De Minister van Economische Zaken stuurde op 18 augustus 2006 een uitnodiging tot betaling uit, gesteld op naam van [C] B.V. Deze uitnodiging werd later vernietigd wegens schending van het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging.
Op 23 december 2011 stelde de Minister een nieuwe uitnodiging tot betaling vast, ditmaal op naam van [A] B.V., een zelfstandige rechtspersoon die in 2007 door fusie was opgegaan in de aangever, die sindsdien [X] B.V. heet. Het Hof oordeelde dat de douaneschuldenaar [B] B.V. was en dat de uitnodiging tot betaling onjuist op naam van [A] B.V. was gesteld, maar dat dit geen vernietiging rechtvaardigde omdat [X] B.V. redelijkerwijs geen misverstand kon hebben over de bestemming van de uitnodiging.
De Hoge Raad oordeelt anders. Omdat de uitnodiging niet op naam van de douaneschuldenaar was gesteld en de gegevens op het aanslagbiljet geen misverstand konden oproepen over voor wie het bestemd was, moet worden aangenomen dat de uitnodiging tot betaling was bedoeld voor [A] B.V. en niet voor de douaneschuldenaar [X] B.V. Hierdoor is de uitnodiging niet op juiste wijze aan de douaneschuldenaar medegedeeld en dient deze vernietigd te worden.
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling, met inachtneming van dit arrest. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep.