ECLI:NL:GHDHA:2017:2310
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Beslissing over schorsing en voorlopige voorzieningen inzake voogdij en verhuizing minderjarigen naar Rusland
In deze civiele zaak gaat het om verzoeken tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en voorlopige voorzieningen in een voogdijgeschil over drie minderjarige kinderen na het overlijden van hun moeder door een geweldsdelict. De rechtbank had de voogdij toegekend aan familieleden van moederszijde in Rusland met een geplande verhuizing van de kinderen naar Rusland per 1 september 2017.
De vader en een oom van vaderszijde kwamen in hoger beroep tegen deze beslissing en verzochten onder meer om schorsing van de uitvoerbaarheid en voorlopige voorzieningen zoals benoeming van een bijzondere curator en plaatsing bij een oom in Nederland. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling verzetten zich tegen deze verzoeken.
Het hof overwoog dat schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad alleen kan worden toegewezen indien sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag of nieuwe feiten. Het hof stelde dat de rechtbank zorgvuldig had afgewogen en dat het belang van de kinderen bij een stabiele en veilige toekomst het zwaarst weegt. De verhuizing naar Rusland werd niet geschorst, mede omdat de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling blijft voortduren.
De verzoeken tot voorlopige voorzieningen werden afgewezen omdat deze een blijvend karakter hebben en niet passen bij het voorlopige karakter van de voorzieningen. De benoeming van een bijzondere curator werd als te belastend voor de minderjarigen beoordeeld. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Verzoeken tot schorsing en voorlopige voorzieningen worden afgewezen; voogdijbeslissing en verhuizing naar Rusland blijven gehandhaafd.