Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 23 mei 2017
Het geding
Algemeen
€ 20.000,- voor de helft toegerekend aan ieder der partijen en is bepaald dat ieder van partijen voor de helft van deze geldleningen draagplichtig is;
grief IV(het hof begrijpt: grief III)van de memorie van grieven wordt meegenomen in deze berekening; dan wel een zodanige beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, en (meer) subsidiair de vordering van de vrouw af te wijzen, alles met bepaling dat de vrouw zal hebben terug te betalen al hetgeen de man betaald heeft en zal hebben op het bestreden vonnis, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling zijdens de man tot aan de dag van algehele voldoening.
Kern van het geschil en enige achtergrondinformatie
- de wijze waarop de rechtbank de verkoop van de woning met opstallen en grond (hierna ook: de woning) heeft gelast;
- de vorderingen die partijen over en weer op elkaar stellen te hebben.
- de man heeft wel degelijk inspanningen gedaan om de woning te verkopen. Er is één bezichtiging geweest en de man heeft verschillende gesprekken gehad met de makelaar;
- de markt voor onroerend goed was slecht, het lag niet aan het geringe animo van de man voor verkoop van de woning;
- de vrouw heeft nog maar weinig verkoopactiviteiten ontplooid en zij heeft de bezichtiging door een door de man aangedragen potentiële koper afgehouden;
- de geestelijk toestand van de man is na zijn burn-out die duurde van 2002 tot 2009 verbeterd en hij heeft de intentie zijn garagebedrijf weer uit te oefenen in de bij de woning behorende loods. De leeftijd van de man (67 jaar) staat hieraan niet in de weg;
- de man is als gevolg van het vonnis aangewezen op het huren van eigen woonruimte en een eigen loods, terwijl de vrouw niets met de gemeenschappelijke loods doet;
- de vrouw heeft de gemeenschappelijke betalingen gestaakt, zodat de man alle kosten van de woning moest betalen. Ook heeft zij op eigen initiatief de woning verlaten en wenste zij daarin niet terug te keren, hoewel de man haar dat in 2010 meermalen heeft verzocht.
- de man heeft viereneenhalf jaar geprofiteerd van het alleengebruik van de woning en nauwelijks iets gedaan om de verkoop van de woning te bevorderen;
- de vrouw hoeft niet tegen haar zin in een onverdeelde gemeenschap te blijven;
- willekeur aan de zijde van de vrouw is uitgesloten aangezien de rechtbank heeft bepaald dat de vrouw zich met betrekking tot de bepaling van de vraag- en verkoopprijs van de woning dient te gedragen naar de aanwijzingen van de makelaar;
- nadat zij in de woning is getrokken, heeft de vrouw in overleg met de makelaar een plan ontwikkeld om de woning gereed voor de verkoop te maken. Inmiddels heeft de vrouw, zonder enige hulp of bijdrage van de man, alle noodzakelijke werkzaamheden (laten) uitvoeren en staat de woning te koop;
- de man toont niet aan dat sprake is van een serieuze en levensvatbare poging een nieuwe onderneming op te starten. Kennelijk meent hij door het uitspreken van de intentie daartoe meer kans te maken om (niet alleen in de loods maar ook) in de woning te blijven. De man ontplooit pas activiteiten na een rechterlijke uitspraak;
- verdeling van de woning is in het belang van beide partijen aangezien dan de schulden kunnen worden afgelost en partijen verder kunnen met hun leven. De man heeft inmiddels alternatieve woon- en bedrijfsruimte gevonden, van waaruit hij zijn onderneming (het restaureren van oldtimers) kan uitoefenen.
- aflossing c.q. rentebetalingen op de hypothecaire geldleningen;
- aflossing c.q. rentebetalingen op geldleningen;
- verdeling opbrengst verkoop activa die behoren tot de voormalige huwelijksgemeenschap;
- storting van gelden op de gemeenschappelijk bankrekeningen na datum ontbinding huwelijksgemeenschap;
- opnames van de gemeenschappelijk bankrekeningen na datum ontbinding huwelijksgemeenschap.
€ 4.820,-
(het hof begrijpt: een bedrag van € 4.720,-, nu zulks ook blijkt uit productie 10 bij brief van 24 maart 2016, waarnaar de man in dit kader verwijst)te hebben afgelost op de lening bij de moeder van de vrouw, zodat ter zake resteert een door hem te betalen bedrag van € 6.744,65 minus € 4.720,- = € 2.024,65.
€ 27.147,52 betaald op de lening bij haar moeder, de hypothecaire lening bij Obvion en de lening bij Interbank terwijl de man daaraan maar € 3.650,31 heeft bijgedragen;