Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 15 augustus 2017
[appellant] Shipping B.V.,
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het verwijt van [geïntimeerde] in hoger beroep met betrekking tot de hoge werkdruk dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat [appellant] [geïntimeerde] tegen zichzelf had moeten beschermen en haar instructiebevoegdheid had moeten gebruiken om ervoor te zorgen dat [geïntimeerde] niet zoveel overuren zou maken, wordt verworpen. Uit de in deze procedure (ook door [geïntimeerde] zelf) overgelegde gespreksverslagen blijkt immers dat [appellant] [geïntimeerde] hier meermalen indringend over heeft aangesproken, en hem zelfs uitdrukkelijk heeft verboden om nog zoveel overuren te maken. Blijkens het door [geïntimeerde] overgelegde (en door hemzelf gemaakte) gespreksverslag van 17 december 2015 (productie 7 bij verzoekschrift) voelde hij zich hierdoor echter ernstig belemmerd in zijn werkzaamheden respectievelijk serviceverlening naar de klanten, hetgeen voor hem (mede) aanleiding is geweest om een andere baan te zoeken.
Wat betreft de op non-actief stelling van [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat deze beslissing van [appellant] in de gegeven omstandigheden alleszins begrijpelijk en verdedigbaar was. De kantonrechter heeft overwogen dat [geïntimeerde] ter zitting heeft toegegeven dat hij met [appellant] is gaan praten nadat hij reeds van IAA de toezegging had gekregen dat hij in dienst mocht treden, mits hij van het concurrentiebeding werd ontheven. De stelling van [geïntimeerde] in hoger beroep dat hij een dergelijk aanbod van IAA pas heeft gekregen nadat hij al op non-actief was gesteld, en dat hij op het moment van het gesprek met [appellant] nog met meer bedrijven in gesprek was zodat hij toen nog niet kon zeggen wie zijn beoogde nieuwe werkgever was, wordt gelet op genoemde uitdrukkelijke erkenning ter zitting van de kantonrechter, en het ontbreken van enige nadere motivering en onderbouwing in hoger beroep gepasseerd. Nu [geïntimeerde] op 17/18 december 2015 geen openheid van zaken wenste te geven tegenover [appellant], mocht [appellant] haar bedrijfsbelangen beschermen door [geïntimeerde] op non-actief te stellen.
Het hof is voorts met de kantonrechter van oordeel dat [appellant] vervolgens weliswaar verwijtbaar heeft gehandeld door, zonder zorgvuldig onderzoek, aan te nemen dat [geïntimeerde] beoogde de arbeidsovereenkomst op te zeggen per 1 maart 2016, maar dat dit niet als ernstig verwijtbaar handelen kwalificeert. Dat [appellant], in aansluiting daarop, per 1 maart 2016 is gestopt met de salarisbetaling en de uitkomst van de ontbindingsprocedure niet heeft willen afwachten, leidt niet tot een ander oordeel.
De kantonrechter heeft het verzoek tot het toekennen van een transitievergoeding en een billijke vergoeding terecht afgewezen.
[geïntimeerde] voert in incidenteel appel aan dat de kantonrechter naar zijn mening het concurrentiebeding ten onrechte niet volledig heeft vernietigd. Hij wijst er op dat hij de kans krijgt om over te stappen naar een verhoudingsgewijs veel kleinere concurrent op een zeer transparante markt, dat er geen specifieke kennis van [appellant] te beschermen valt, dat de kennis van [geïntimeerde] over de technische condities waaronder bloembollen moeten worden vervoerd helemaal niet relevant is, dat [geïntimeerde] een operationele medewerker is en geen commerciële zodat zijn waarde uit het oogpunt van concurrentie zeer beperkt is, dat hij niet in de positie is om klanten te laten overstappen van [appellant] naar IAA, en dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [geïntimeerde] op non-actief te stellen. [geïntimeerde] vermeerdert zijn verzoek voorts in hoger beroep: indien het concurrentiebeding niet geheel wordt vernietigd, verzoekt hij matiging van de contractuele boete, aangezien een boete van € 1000,- per dag dat de overtreding van het concurrentiebeding voortduurt naar zijn mening een disproportioneel bedrag is dat niet in verhouding staat tot het verdiende salaris en het belang van [appellant] bij de boete.
Het hof verenigt zich met de beslissing van de kantonrechter. Ook het hof is van oordeel dat het bedrijfsbelang van [appellant], hoe zwaarwegend ook, voldoende beschermd moet worden geacht indien [geïntimeerde] gedurende één jaar feitelijk niet meer bij [appellant] heeft gewerkt. De ingangsdatum 23 december 2015 vloeit logisch voort uit de omstandigheid dat 22 december 2015 de laatste feitelijke werkdag van [geïntimeerde] bij [appellant] was. Dat de arbeidsovereenkomst pas is ontbonden per 1 augustus 2016 maakt niet dat het bedrijfsbelang van [appellant] een langere beschermingsperiode noodzakelijk maakt. [geïntimeerde] heeft als gevolg van zijn op non-actiefstelling vanaf 23 december 2015 immers niet meer gewerkt bij [appellant], en vanaf die datum dus ook geen kennis meer kunnen nemen van vertrouwelijke informatie binnen het bedrijf van [appellant], terwijl [geïntimeerde] bovendien uit hoofde van zijn functie vanaf dat moment geen contact met relaties heeft kunnen onderhouden. Ook de principale grief wordt derhalve verworpen.