Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 februari 2017
[appellante] ,
1. [geïntimeerde] ,
2. Allianz Nederland Schadeverzekeringen N.V.,
Het geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak staat centraal of appellante als passagier in de bestelauto zat die op 17 september 2001 in Rotterdam werd aangereden door de auto van geïntimeerde. Appellante stelt letselschade te hebben geleden door een whiplash en vordert vergoeding van Allianz, de verzekeraar van geïntimeerde.
Het hof onderzoekt uitgebreid het bewijs, waaronder medische rapporten, verklaringen van appellante, haar zoon en familieleden, en getuigenverklaringen. Ondanks veroordelingen voor meineed en valsheid in geschrifte van enkele getuigen, acht het hof de verklaringen van appellante en haar zoon betrouwbaar en overtuigend, mede door medische documentatie die aansluit bij het ongeval.
De verklaringen van geïntimeerde en zijn zoon over het ontbreken van een passagier worden niet als doorslaggevend beschouwd vanwege inconsistenties en omstandigheden die het mogelijk maken dat zij appellante niet hebben gezien. Het hof concludeert dat appellante ten tijde van de aanrijding in de bestelauto zat en dat zij schade heeft geleden die verband houdt met het ongeval.
Daarom vernietigt het hof het eerdere vonnis en veroordeelt geïntimeerde en Allianz hoofdelijk tot vergoeding van de schade, nader vast te stellen bij staat. Tevens worden proceskosten toegewezen en wordt het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof veroordeelt geïntimeerde en Allianz hoofdelijk tot vergoeding van de schade van appellante en verwijst de zaak naar schadestaat.