Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest in het incident d.d. 18 juli 2017
[appellant] ,
[geintimeerden]
Het geding
Het geschil
).
Gerechtshof Den Haag
Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen het incidentele vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2016. Geïntimeerde stelde een incidentele vordering in tot niet-ontvankelijkverklaring van appellanten, omdat het exploot van dagvaarding het tussenvonnis noemde en niet het eindvonnis. Volgens geïntimeerde was het hoger beroep tegen het tussenvonnis reeds ingesteld en was de termijn voor hoger beroep tegen dat vonnis verstreken.
Appellanten erkenden de vergissing in het exploot en stelden dat het hoger beroep bedoeld was tegen het eindvonnis van 28 december 2016. Het hof oordeelde dat het voor geïntimeerde duidelijk moest zijn geweest dat het hoger beroep zich richtte tegen het eindvonnis, mede gelet op de inhoud van het petitum, het tijdstip van betekening en de reeds lopende procedure tegen het tussenvonnis.
Het hof verwierp het beroep op niet-ontvankelijkheid omdat geïntimeerde geen belang had bij het beroep op de onjuiste verwijzing. De incidentele vordering werd afgewezen en de beslissing over de proceskosten aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De zaak werd verwezen naar de rol van 29 augustus 2017 voor de memorie van grieven van appellanten.
Uitkomst: De incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van appellanten wordt afgewezen wegens evidente vergissing in het exploot.