ECLI:NL:GHDHA:2017:2589
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen voorlopige omgangsregeling in kort geding
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de vrouw tegen een voorlopige omgangsregeling tussen de man en hun minderjarige kind, vastgesteld door de voorzieningenrechter in een kort geding. De vrouw vordert vernietiging van het vonnis en een aangepaste omgangsregeling, stellende dat de omgang niet in het belang van het kind is en dat zij zich onveilig voelt vanwege de houding van de man.
Tijdens de procedure overlegt de man een vonnis van de voorzieningenrechter in een bodemprocedure die na het kort geding is gestart. Uit dat vonnis blijkt dat partijen zijn verwezen naar het Rotterdams Omgangshuis en dat geen feiten zijn gebleken die aantonen dat omgang niet in het belang van het kind is. De vrouw heeft haar vorderingen in die bodemprocedure ingetrokken.
Het hof oordeelt dat de zorgen en gewijzigde omstandigheden die de vrouw in het hoger beroep aanvoert, kennelijk geen belemmering meer vormden voor de omgangsregeling, aangezien zij haar vorderingen in de bodemprocedure heeft ingetrokken. Hierdoor ontbreekt het spoedeisend belang voor het hoger beroep.
Het hof verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 5 september 2017.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.