Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.de gemeente Alphen aan den Rijn,
de gemeente Kaag en Braassem,
1.de Stichting Rivierduinen,
de Stichting Mee Zuid-Holland Noord,
de Stichting ’s-Heeren Loo Zorggroep,
de Stichting Stek Jeugdzorg,
5.de Stichting Cardea Jeugdzorg,
de Stichting Gemiva-SVG Groep,
de Stichting Horizon Jeugdzorg en Speciaal Onderwijs,
de Stichting Ipse de Bruggen,
de Stichting Kwadraad,
10. de Opvoedpoli B.V.,
(...)
Daarnaast dient iedere Cliënt te kunnen kiezen voor een persoonsgebonden budget als gelijkwaardig alternatief, mits aan de gestelde toekenningskaders wordt voldaan.”
Grief Iis gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat door het Consortium gevraagde informatie door de Gemeenten niet is verschaft. De Gemeenten voeren primair aan dat de betreffende informatie te laat is gevraagd en bovendien, subsidiair, wel degelijk is verschaft. Met
grief IIkomen de Gemeenten op tegen de overwegingen 5.8, 5.9 en 5.10 van het bestreden vonnis. De Gemeenten voeren aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er een verplichting bestaat een “veiligheidsventiel” in de aanbesteding op te nemen, dat in de zorgsector een budget met doorleverplicht en budgetplafonds gebruikelijk is en dat er overigens wel degelijk een “veiligheidsventiel” is ingebouwd.
Grief IIIkomt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de gebruikte wijze van uitvraag niet gebruikelijk is in de markt. Met
grief IVvoeren de Gemeenten aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het Consortium in de aanbestedingsprocedure heeft aangegeven dat de opdracht financieel uitvoerbaar is en dat de Gemeenten de plafondbudgetten hebben vastgesteld op basis van een reële inschatting van de verwachte kosten per cliënt. Voorts heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat in de Gemeenten aanvullende budgetten beschikbaar zijn. Met
grief Vbetogen de Gemeenten dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de voorwaarden van de aanbesteding disproportioneel zijn.
Grief VIkomt op tegen overweging 5.2 van het vonnis, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat de aanbestedende dienst inschrijvers voldoende helderheid moet verschaffen over de aard en de omvang van de opdracht. De Gemeenten brengen naar voren dat op inschrijvers de verplichting rust om een proactieve houding aan te nemen en dat zij tijdig vragen moeten stellen en zelf onderzoek moeten doen. Bovendien staat het een aanbestedende dienst vrij om van de Gids Proportionaliteit af te wijken. Met
grief VIIvoeren de Gemeenten aan dat de voorzieningenrechter onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat de markt uitgebreid is verkend, dat de daarbij betrokken marktpartijen niet hebben aangegeven de aanbesteding disproportioneel te vinden, dat er drie partijen daadwerkelijk hebben ingeschreven en dat die inschrijvers hebben verklaard zich te kunnen vinden in de opzet van de aanbestedingsprocedure.
Grief VIIIis gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat alle risico’s verbonden aan de uitvoering van de opdracht bij de opdrachtnemer zijn neergelegd. Met
grief IXvoeren de Gemeenten aan dat de meeste invloed op de risico’s door de opdrachtnemer kan worden uitgevoerd en dat de invloed van de Gemeenten marginaal is.
Grief Xkomt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter over de aansprakelijkheidsverdeling in artikel 13 van Pro de concept-overeenkomst. In
grief XIvoeren de Gemeenten aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de belangen bij “goede jeugdhulp conform de wettelijke verplichtingen van de Gemeenten” niet zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van het Consortium, terwijl
grief XIIis gericht tegen de veroordeling als zodanig.
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 5 oktober 2016;
- veroordeelt de Gemeenten in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het Consortium tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen en aan de zijde van GO! voor jeugd op nihil;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.