Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Rolnummer hoofdzaak : 16/00101
[X] ,
verzoeker.
Gerechtshof Den Haag
In deze bestuursrechtelijke procedure heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter en raadsheren van de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag, die belast waren met de behandeling van een belastingzaak. Verzoeker stelde dat de betrokken raadsheren niet onpartijdig zouden zijn vanwege vermeende betrokkenheid bij ernstige internationale misdrijven van een collega binnen hetzelfde gerechtshof en de locatie van hun werkzaamheden.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk behandeld en geoordeeld dat de gestelde betrokkenheid niet aannemelijk was gemaakt. Tevens werd overwogen dat het feit dat de raadsheren werkzaam zijn in hetzelfde Paleis van Justitie geen objectieve rechtvaardiging vormt voor de vrees vooringenomenheid. Ook de afwijzing van een verzoek tot verwijzing van de hoofdzaak naar een ander gerechtshof werd als een zuiver processuele beslissing beoordeeld, die geen aanleiding geeft tot wraking.
Verzoeker had daarnaast betoogd dat het gerechtshof Den Haag niet bevoegd was om kennis te nemen van het wrakingsverzoek, onder meer vanwege het beëindigen van de pilot externe wrakingskamer en het wrakingsprotocol. Dit bezwaar faalde omdat de verwijzing op grond van artikel 62b RO een rechtsprekende bevoegdheid betreft waartegen geen rechtsmiddel openstaat.
Uiteindelijk concludeerde de wrakingskamer dat verzoeker niet was geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden van onpartijdigheid van de rechters. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de beslissing werd op 4 oktober 2017 door de drie raadsheren gewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter en raadsheren van de wrakingskamer wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van onpartijdigheidsschending.